Hoe impactgericht werken goede doelenorganisaties eigenlijk ?

Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) stelt ieder jaar aan alle Erkende Goede Doelen reflectievragen. In 2019 ging dat over impact, wat resulteerde in de publicatie ‘Een Vuist voor Impact’, met vijf vragen om impactmanagement te beoordelen. In samenwerking met Impact Centre Erasmus  zette voor de toezichthouder de belangrijkste uitdagingen op het gebied van impactmanagement op een rijtje.

Een Vuist voor Impact

Een Vuist voor Impact gaat over de vraag ‘hoe impactgericht goede doelenorganisaties eigenlijk werken’. De hoofdvraag die daarbij gesteld wordt luidt: ‘doe je als organisatie de goede dingen?’ Doel van de publicatie is aanzet geven tot zelfreflectie en verdere actie. Het rapport is een verslaggeving van onderzoek naar impact onder de leden van het CBF met handige tips en adviezen van het Impact Centre Erasmus met verwijzingen naar meer verdieping. Dat alles bondig samengebracht in ‘een handvol vragen, die, met een sluitend antwoord op alle vragen, een vuist vormen; een vuist met impact’.

Vraag 1: Waarom doe ik wat ik doe?
Het rapport stelt dat goede doelenorganisaties aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk werken en daaraan een waardevolle bijdrage willen leveren. Daarbij hopen de organisaties dat hun activiteiten bijdragen aan een bepaalde verbetering. Het rapport toont daarvoor een handig model aan de hand van de verandertheorie: ‘de denkstappen die gemaakt moeten worden van activiteiten naar de uiteindelijk beoogde verbetering’. Het CBF wijst daarbij de weg via input naar activiteiten naar outputoutcome en impact. De verandertheorie zou uiteindelijk antwoord moeten geven op de vraag: waarom doe ik wat ik doe?

Vraag 2: Hoe weet ik dat wat ik doe ook werkt?
Bij de tweede vraag draait het om de aannames die gedaan worden tijdens het analyseren van de verandertheorie en het vervolgens kritisch onderzoeken van die aannames. Volgens het CBF doet een betrouwbaar verhaal het goed in fondsenwerving, maar vraagt de gever steeds meer om een bewezen aanpak. CBF: ‘Door aannames expliciet te maken en te onderzoeken kunnen aantoonbare resultaten gevonden worden. Maar pas op voor ‘grote stappen, snel thuis’. Maak de denkstappen niet te groot en besteed aandacht aan de tussenstappen. Aannames laten zien namelijk zien waar de risico’s en onzekerheden zitten.’

Vraag 3: Is dit het beste wat ik kan doen?
Er is nooit één manier om verandering teweeg te brengen; er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. Het CBF kaart bij deze vraag aan dat het verleidelijk kan zijn voor organisaties om te kiezen voor een welbekende, vaak toegepaste aanpak. Om dat te voorkomen staan er in het rapport een paar kritische vragen: ‘Op basis waarvan kies je wat je gaat doen? Zijn er verschillende oplossingen overwogen? Wat zou hier het beste werken? En ben jij als organisatie degene die dat het beste kan?’ Om verschillende oplossingen af te wegen biedt het CBF een handig ezelsbruggetje, een ABC: Alternatief – Behoefte – Context. De vraag die je je als organisatie kan stellen, luidt: is deze aanpak het beste alternatief, gezien de behoefte en de context? Om van daaruit te bepalen welke rol het beste bij de organisatie past.

Regel 4: Wat is het effect dat ik zie?
‘Impact gaat over het langetermijneffect van activiteiten.’ Het CBF wijst daarbij op het belang van een nulmeting, een controlegroep en bovenal geduld. Daarbij maakt het CBF een verschil tussen impact weten en impact meten benoemd. De toezichthouder hecht er meer belang aan dat organisaties hun impact kritisch bekijken dan dat er wordt aangetoond hoeveel impact er precies wordt gemaakt. Het gaat hier dus om zelfreflectie: het CBF stimuleert organisaties zo om na te denken over wat meer en wat minder effectief is.

Regel 5: Wat draag ik bij aan een betere wereld?

Met de laatste vraag maakt het rapport ‘de cirkel weer rond naar het ideaal dat een organisatie wil verwezenlijken’. Hierbij gaat het om ‘de gezamenlijke impact van de sector te verantwoorden’. De definitie van een betere wereld is op wereldschaal afgestemd binnen de Verenigde Naties in de zeventien Sustainable Development Goals (SDG’s). Het CBF moedigt de sector aan om aansluiting te zoeken binnen het grootste deel van deze SDG’s. ‘Wie bijdraagt aan een betere wereld moet toch kunnen aangeven op welk vlak hij dan verschil maakt’, stelt het CBF.  ‘Alle goeded oelenorganisaties, als verwenzelijkers van een betere wereld, zouden moeten nagaan hoe hun impactverhaal aansluit op de SDG’s.’

(bron- De Dikke Blauwe – maart 2021)

Bron: CBF
Download hier het volledige rapport “Een vuist voor impact”

Social Impact Bonds- Hype of duurzame Win-Win?!

Steeds meer gemeenten gaan met private geldschieters in zee om nieuwe aanpakken voor lastige maatschappelijke problemen te vinden. Dat kan werken als een vliegwiel voor innovatie en efficiëntie. Maar dan moet het wel meer zijn dan alleen een bezuinigingsmaatregel, schrijven Menno Bosma en Hans van de Veen in hun boek over Social Impact Bonds.

Innovaties
In Social Impact Bonds (SIB’s) worden publieke doelen verenigd met privaat kapitaal. Zo investeerden maatschappelijke fondsen, banken en (zorg)verzekeraars de afgelopen jaren in innovaties om mensen in de bijstand naar werk te begeleiden, de schulden van multiprobleemgezinnen op te lossen en statushouders te helpen in te burgeren. Het idee is: er wordt een nieuwe aanpak getest waarmee de gemeente mogelijk geld kan besparen. Als het lukt om het doel te bereiken, deelt de geldschieter mee in de winst.

Belangstelling
Het klinkt aantrekkelijk. Een succesvolle Social Impact Bond levert winst op voor de inwoners (een maatschappelijk probleem wordt opgelost) én voor de gemeentekas (een duur probleem wordt goedkoper). Bovendien: eventuele verliezen komen op conto van de investeerder en gaan dus niet ten koste van publieke middelen. In tijden van krappe budgetten en grote maatschappelijke opgaven wordt de formule steeds aanlokkelijker. Na een opmars van het fenomeen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, groeit de belangstelling ook in Nederland. We staan zelfs al op nummer drie op de wereldranglijst wat betreft het gebruik van SIB’s.

Bezuiniging
Toch moeten gemeenten uitkijken, zeggen Menno Bosma en Hans van de Veen, die onlangs het boek ‘De belofte van de Social Impact Bond’ uitbrachten. Ja, een SIB kan win-win-win zijn, met maatschappelijke innovatie, besparing op gemeenschapsgeld en zelfs een mooi commercieel rendement als resultaat. Maar als het financiële gewin de overhand krijgt, kan dat ten koste gaan van de maatschappelijke doelstellingen. Een SIB moet dus meer zijn dan een investeringsinstrument of een bezuinigingsmaatregel.

Waarom moest er een boek komen over SIB’s?
Menno Bosma: ‘De laatste jaren is het onderwerp redelijk booming in bepaalde kringen. Maar je ziet ook dat het een in-crowd verschijnsel is. Onder het grotere publiek is het nog steeds niet heel bekend. Daarom is er weinig discussie over. Dat komt ook omdat er weinig informatie over beschikbaar is. Die informatie ligt vaak alleen bij college van B en W, niet bij gemeenteraad. Er heerst veel koudwatervrees op dat gebied. Wij vinden dat het politiek debat ontbreekt over de voorwaarden waaronder je dit doet. Je kunt in SIB’s een soort losgeslagen instrument van privatisering zien, of een nuttige verrijking van het sociaal domein. Dat debat moet gevoerd worden.’

Zijn jullie uiteindelijk voor- of tegenstanders van de SIB?
Bosma: ‘We kwamen tijdens het schrijven zoveel goede voorbeelden tegen, dat we van sceptici tot gematigde voorstanders zijn geworden. Maar we zijn wel kritisch over de manier waarop het nu in Nederland wordt toegepast. Wat we zien is dat het vooral eenzijdig als kostenbesparingsinstrument wordt gebruikt, en dat beproefde aanpakken steeds herhaald worden. Steeds met maar één uitvoerder, die maar één methode toepast. Op die manier vindt er weinig innovatie plaats.’

Hans van de Veen: ‘Daarom is er behoefte aan meer transparantie en meer onderzoek. Veel SIB’s beginnen bijvoorbeeld zonder nulmeting. Dan worden er veel te weinig lessen geleerd.’

In een SIB moet geld verdienen samengaan met het verbeteren van het welzijn van mensen. Is er niet een inherente frictie tussen die twee doelen?
Bosma: ‘Wat je ziet is dat de impuls om geld te verdienen vaak zo sterk is, dat er nauwelijks welzijnsdoelstellingen gekozen worden. Men kiest bijvoorbeeld voor werktoeleiding: het laaghangende fruit, wat vrij makkelijk te realiseren is. De methoden zijn vaak niet bijster vernieuwend. Het ging, zeker bij de eerste SIB’s, niet zozeer om het welzijn van deelnemers, maar het ging er vooral om dat mensen zo snel mogelijk uit de bijstand gemieterd konden worden.’

Van de Veen: ‘Maar ons voorzichtig positieve eindoordeel is er ook op gebaseerd dat we de ontwikkeling richting meer maatschappelijke doelstellingen wel zien.’

Kunnen jullie verklaren waarom Nederland de op-twee-na grootste gebruiker van SIB’s is?
Van de Veen: ‘Dat hebben wij ons ook afgevraagd, waarom het nu opkomt, en waarom in Nederland. We denken dat het net op het goede moment arriveerde. Een jaar of zeven geleden. Overheden hadden weinig geld vanwege de financiële crisis, met de decentralisering kregen de gemeenten allerlei nieuwe sociale taken. En dan roept een creatieve ambtenaar: laten we dit eens proberen.’

Wat moet je als gemeente vooral wel en niet doen als je met SIB’s aan de slag wil?
Bosma: ‘Laat je de kaas niet van het brood eten door de investeerder. Bedenk zelf goed wat je wil. Ga ook niet meteen uit van één soort oplossing, maar laat de mogelijkheid open voor meerdere methoden. En: transparantie. Zorg dat resultaten openbaar gemaakt worden, daar wordt je als gemeente ook beter van.’

Van de Veen: ‘Zeker voor kleine gemeenten: zoek samenwerking. Zo’n SIB is best ingewikkeld, het kost veel tijd en energie. Dus leer van elkaar. En maak er geen top-down ding van, maar probeer waar mogelijk de doelgroep erbij te betrekken. Dat zorgt voor draagkracht.’

Bosma: ‘Bedenk van tevoren of je de uitkomsten wil inpassen in het staande beleid. En zet op een SIB niet de ambtenaar die zich met de oude oplossing bezighield, die fungeert vaak als rem.’

Verwachten jullie in de toekomst steeds meer SIB’s te zien, of is het een hype die over een paar jaar weer voorbij is?
Van de Veen: ‘Een aantal partijen is de afgelopen jaren afgehaakt omdat gemeenten weer beter in de financiën zaten. Dat is door corona weer omgedraaid. Dat zou een nieuwe voedingsbodem voor SIB’s kunnen worden. Ik denk in ieder geval dat de brede trend van meer resultaatgericht beleid voeren, met meer focus op outcomes en impact, zich doorzet. Of dat in de vorm van SIB’s zal zijn, dat is moeilijk te zeggen.’

(bron :Binnenlands bestuur , 16 maart 2021 Adriaan de Jonge)

Stimulans maatschappelijk /sociaal ondernemerschap door kabinet: BVm zeer nabij!

De nieuwe status voor Nederlandse bedrijven die ondernemen met een sociaal of maatschappelijk doel, is een stap dichterbij. De ministerraad heeft ingestemd met de consultatie van staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat. Hiermee wil het kabinet maatschappelijk ondernemerschap beter organiseren en stimuleren.

Afgelopen zomer kondigde staatssecretaris Keijzer aan een aparte juridische vorm voor maatschappelijke ondernemers uit te zullen werken. Uit meerdere onderzoeken blijkt namelijk dat zij een gebrek aan erkenning en herkenning ervaren om optimaal hun doelen te behalen. Met de maatschappelijke BV, oftewel BVm, wil Keijzer de inmiddels meer dan 5000 Nederlandse ondernemers ondersteunen in het bereiken van hun maatschappelijke missie.

Staatssecretaris Keijzer: “De BVm zorgt voor een betere erkenning van, en daarmee waardering voor het maatschappelijk karakter van onze sociale ondernemers. Voor financiers, leveranciers en consumenten wordt het gemakkelijker om sociale en maatschappelijke ondernemingen te herkennen. En om vanuit deze gedeelde visie zaken te doen. Zo bouwen we samen aan een sociaal en eerlijk ondernemend Nederland.”

 

Met de BVm kunnen maatschappelijke ondernemingen zich straks duidelijk herkenbaar maken. Voor met name zakelijke relaties wordt daarmee duidelijk dat ze met een bedrijf te maken hebben dat maatschappelijke impact vooropstelt boven het uitkeren van winst aan aandeelhouders. De winst blijft voor een goed deel behouden voor het verder realiseren en uitbouwen van maatschappelijke impact.

De beoogde BVm-wet schept waarborgen voor de winstbestemming en verslaglegging over de maatschappelijke impact. Met deze opzet stimuleert het kabinet het maatschappelijk ondernemerschap met het behoud van een gelijk speelveld. Ondernemingen kunnen zelf kiezen of zij zich als BVm willen registreren.

De consultatie is een belangrijke concrete stap op weg naar het wetsvoorstel en gaat in de week van 8 maart voor een periode van tenminste zes weken in internetconsultatie.

Tijd voor de digitale sector om de betekenisgedreven economie aan te jagen

De behoefte aan een nieuwe welzijnseconomie groeit. Om ons heen neemt de druk toe om betekenisgedreven te werken in plaats van winstgedreven en om producten en diensten te ontwikkelen die een positieve impact hebben op samenleving en planeet. Aan digitale makers, bureaus en consultants de taak voor een katalyserend effect te zorgen, want de vrijblijvendheid is voorbij. Een utopie? Welnee.

In zijn jaarlijkse brief aan mede-CEO’s deed Laurence D. Fink onlangs een gedenkwaardige oproep. De bestuurder van ’s werelds grootste investeerder Blackrock gaf aan de strategie te verleggen en bedrijven met een duurzaamheidsrisico te vermijden. Hij moedigde anderen aan de eigen bedrijfsvoering eveneens tegen het licht te houden. “Het bewustzijn neemt snel toe.”

Betekenisvolle actie

Zijn schrijven is tekenend voor onze tijd. Zowel consumenten als werknemers nemen geen genoegen meer met loze ‘purpose’ marketing. Men wil actie. De pandemie heeft voor reflectie gezorgd en tegelijkertijd zijn thema’s als klimaatverandering, discriminatie en sociale ongelijkheid op de voorgrond gekomen. Niet voor niets stelt Joe Biden deze thema’s centraal tijdens zijn ambtsperiode. Het geloof in een markt die alles vanzelf herstelt en zorgt voor een juiste balans neemt af, zeker onder jongeren.

Bedrijven worden daarom aangesproken op hun betrokkenheid en handelen. Ze hebben te maken met een mondige generatie die behoefte heeft aan een welzijnseconomie die betekenisgedreven is: Producten en diensten moeten een positieve bijdrage leveren aan het welzijn van individuen, de mate van inclusiviteit in de samenleving en de duurzaamheid van het grotere ecosysteem.

Verantwoordelijkheid als succesfactor

Digitale bedrijven zijn hier niet van uitgezonderd. Natuurlijk ontstaan er discussies over de macht van ‘big tech’, hun polariserende werking en monopolievorming op het internet. Maar ook op het concretere niveau van bedrijven en producten uit de directe omgeving heeft de digitale ontwikkeling invloed. Door niet de verantwoordelijkheid te nemen voor de samenleving en de planeet, lopen ze het risico de reputatie, sales en loyaliteit van klanten en medewerkers te schaden.

Zoals collega Cecilia Scolaro het recent verwoordde: “Responsibility is the new customer experience”. In andere woorden: bedrijven die hun verantwoordelijkheden nemen zullen meer succes boeken dan met de focus op de klantervaring alleen.

Aanjagen met digital

In de transitie naar een betekenisgedreven economie is een grote rol weggelegd voor digitale makers, bureaus en consultants. Deze bedrijven werken steeds vaker in gelijkwaardige partnerships met klanten en hebben daarmee een directe invloed op wat als een goed en succesvol product wordt gezien. Hoewel het de ene keer om een compleet nieuw businessmodel draait en het soms over ‘slechts’ een touchpoint gaat, is er op ieder niveau verantwoordelijkheid te nemen en positieve impact te genereren.

Inclusie, welzijn, duurzaamheid

Nu gebruiksvriendelijkheid uitgroeit tot gemeengoed, raken thema’s als ‘accessibility’ – digitale toegankelijkheid – en inclusie in een stroomversnelling. Veel bedrijfsmodellen en diensten gaan nog altijd uit van ‘de doorsnee mens’ en houden onvoldoende rekening met de indirecte impact op de gemeenschap rondom gebruikers. Daarmee groeit de kloof tussen rijk en arm, tussen participerend en niet participerend alsmaar groter.

Om de inclusiviteit te verbeteren moeten bureaus en consultants tijdens de ontwikkeling al rekening houden met toegankelijkheidsprincipes zoals WCAG en progressive enhancement. Waarbij iedereen zich er hard voor maakt de kern van het product of de dienst voor een zo breed mogelijke groep bruikbaar te maken en de impact op kwetsbare groepen te identificeren en te minimaliseren. Dat vraagt er dus ook om deze groepen te betrekken in het designproces en tijdens gebruikersonderzoek.

Ook de thema’s welzijn en duurzaamheid zijn met digitale middelen positief te beïnvloeden. Door bijvoorbeeld de principes van ‘calm technology’ te omarmen of zo te ontwerpen dat de gebruiker een minimale hoeveelheid schermtijd nodig heeft. De user interface inzichtelijk laten maken welke klimaatimpact een keuze heeft, draagt ook bij aan gedragsverandering.

Tegelijkertijd kunnen de makers zelf kritisch kijken naar hun eigen ‘footprint’. De retailer OrganicBasics ontwikkelde bijvoorbeeld een manifesto en ‘low impact’-versie van de webshop om zo de Co2-uitstoot te verminderen. De winkel is op zo’n manier ontwikkeld dat deze zo weinig mogelijk energie verbruikt. Wie beseft dat slechts 11 procent van de bijna twee miljard energievragende websites actief is, gaat vanzelf scherper kijken naar de wens om daar nog een site aan toe te voegen. Zoals productontwerpers vaker rekening houden met de totale lifecycle en de circulariteit van een product, zo kunnen ook digitale designers hun mindset kantelen. Wanneer is een website ‘end-of-life’? En wat gebeurt er dan mee?

Meetbaar maken

Kantelen? Het klinkt complexer en utopischer dan de werkelijkheid laat zien. Wat je als bedrijf of betrokken adviseur nodig hebt, zijn de juiste doelstellingen en meting. What gets measured, gets done. Daarmee wordt een visie, de beoogde positieve impact of purpose namelijk een structureel onderdeel van de belangrijkste processen.

Wanneer welzijn verhogen één van de bedrijfsdoelstellingen is, kan het een eerste aanzet zijn de schermtijd in kaart te brengen. Daarop volgt dan een fase van reflectie: hoe noodzakelijk is het voor succes om gebruikers méér naar een scherm te laten kijken? Zijn er wellicht betere manieren van dienstverlening? En vindt een e-commercebedrijf het belangrijk duurzaamheid te bevorderen, dan kan een beetje meer digitale ‘frictie’ tegen impulsaankopen ook geen kwaad. Het vertaalt zich in meer bewuste en loyalere klanten.

Snelstart

Tot op heden domineren budgetten, deadlines en winst de dagelijkse gang van zaken. Het is dus de kunst om tot een genuanceerdere beoordeling te komen van wat succes betekent. Welke specifieke impact streeft een bedrijf nu eigenlijk met haar digitale middelen na?

Het is bij uitstek de grootste creatieve uitdaging van onze tijd om zo’n shift in denken te faciliteren. Gelukkig zijn er een groeiend aantal methoden om het streven naar positieve impact een snelstart te geven. Bedrijven die keiharde metrics opnemen, stellen vervolgens veilig dat het streven naar positieve impact wordt geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Alle digitale producten en diensten staan daarmee in het teken van die betekenisvolle doelstellingen en dragen zo bij aan een betere wereld. Bureaus, consultants en al hun ontwerpers en ontwikkelaars staan er nu nog niet bij stil, maar ze zijn in staat voor het katalyserende effect te zorgen. En zo een welzijnseconomie te creëren. Wie zal hierin vooroplopen?

(bron:Emerce- Lennart Overkamp – 10 februari 2021)

Leiden komt met sociaal programma voor jongeren en kwetsbaren

Het Leidse stadsbestuur introduceert een ‘social impact programma’. Daarin is aandacht voor de sociale gevolgen van de coronacrisis. Op deze manier moet er meer perspectief komen voor twee zwaar getroffen groepen: jongeren en kwetsbaren. Verder moet de algemene gezondheid worden verbeterd.

Dinsdagavond zei minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge het al op de persconferentie: “We hebben te maken met een maatschappelijke crisis die steeds urgenter wordt. Steeds meer mensen ervaren stress en angst en steeds meer jongeren hebben psychische klachten.” Ook in Leiden is dat het geval en dus komt verantwoordelijk wethouder Marleen Damen (PvdA) met een speciaal programma voor de mentale gezondheid.

Het programma moet nog worden uitgewerkt en heel concreet is het nog niet. Wel noemt wethouder Damen specifiek het digitale jongerenplatform De Leidse Burcht. “We zijn met partijen in gesprek of we daar meer activiteiten op kunnen krijgen”, zegt ze. Ook als de coronacrisis voorbij is. “De Leidse Burcht is wat mij betreft een blijvertje.”

Koningin Máxima bij webinar over impact coronacrisis op mkb en schuldenproblematiek

Hare Majesteit Koningin Máxima was donderdagmiddag 21 januari virtueel aanwezig bij het webinar ‘Samen Sterk voor een schuldenzorgvrij ondernemend Nederland’. Vanuit het ADO stadion in Den Haag wordt gesproken over het recente onderzoek van Deloitte naar de impact van de coronacrisis op het mkb en toenemende schuldenproblematiek. Met name zelfstandigen zonder personeel (ZZP) zijn kwetsbaar. Het onderzoek is gedaan in opdracht van SchuldenlabNL, het Verbond van Verzekeraars (VvV)en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).

Bundelen

Eén van de belangrijkste uitkomsten is het versnipperde hulpaanbod aan ondernemers. Naast het financiële steunpakket van het kabinet, zijn er veel niet-financiële hulpinitiatieven om ondernemers tijdens de coronacrisis bij te staan. Het is belangrijk om deze initiatieven goed op elkaar af te stemmen, zodat de ondernemers makkelijker hun weg vinden naar een voor hen geschikte regeling of oplossing. Bundeling van de initiatieven en maatwerk kan hierbij ook helpen. In het rapport wordt een routekaart voorgesteld, het ‘COVID-19 Actieplan voor het het mkb’. Ondernemers die door de coronacrisis in problemen komen, moeten met de belangrijkste stakeholders gaan samenwerken zodat financiële problemen in een zo vroeg mogelijk stadium ondervangen kunnen worden. De focus ligt hierbij op ZZP’ers. Deze zijn het meest kwetsbaar en doen in een probleemsituatie met name een beroep op ondersteuning vanuit gemeenten.

Webinar

Koningin Máxima volgt in het eerste deel van het webinar een gesprek met de voorzitters van het VvV, NVB en MKB Nederland. Zij spreken over hoe publieke en private partners gezamenlijk kunnen optrekken om ondernemers met problemen zo vroeg en efficiënt mogelijk te kunnen helpen. Aansluitend is er een gesprek met de gemeente Lelystad, een franchise ondernemer en een ZZP’er over hun ervaringen met gemeentelijke ondersteuning. Ook zijn er korte pitches van maatschappelijke hulpinitiatieven aan ondernemers. Het laatste deel van de webinar was een gesprek gaat over hoe gemeenten ondernemers met financiële problemen kunnen ondersteunen.

Koningin Máxima is lid van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap en vraagt daarnaast aandacht voor de inspanningen van SchuldenlabNL om Nederland schuldenzorgvrij te maken.

(bron :Regio On line 21 januari 2021)

Zicht op duurzame samenwerking tussen gemeenten en sociaal ondernemers

Minder eenzaamheid onder ouderen. Hergebruik van afval. Mensen met afstand tot de arbeidsmarkt weer laten meedoen. Gemeenten en sociaal ondernemers streven vaak dezelfde doelen na. Maar vaak vinden zij elkaar niet. Een gemiste kans, want door samen te werken wordt hun impact groter en duurzaam.

Gemeenten geven aan dat zij de afgelopen twee jaar behoorlijke stappen hebben gezet ter verbetering van de samenwerking met sociale ondernemingen. Maar die laatste groep ervaart dat nog niet echt, blijkt uit het (vervolg)onderzoek Zicht op duurzame samenwerking van Social Enterprise NL en PwC naar de samenwerking tussen gemeenten en sociale ondernemingen. Zeven aanbevelingen verdienen aandacht.

‣   Interne training om intern begrip te creëren
‣   Betrek sociaal ondernemers bij verhogen van kennis
‣   Sla een brug tussen portefeuille budgetten
‣   Gebruik SDGs als gemeenschappelijke taal
‣   Maak werk van artikel 2.82 Aanbestedingswet
‣   Breng MKB en sociale ondernemingen verder bij elkaar
‣   Ga creatief om met financieel beperkte ruimte

Meer weten? Lees het rapport voor alle insights over het onderzoek naar de samenwerking tussen gemeenten en sociaal ondernemers: zicht op duurzame samenwerkingen.

(bron: Social Enterprise NL)

Deze zes ondernemers zijn dé pioniers voor een duurzame toekomst

Vorige week koos een vakjury de zes finalisten die kans maken op de ASN Bank Wereldprijs. Meer dan 135 startende ondernemers met een duurzaam idee voor een betere wereld schreven zich afgelopen september in voor dé competitie voor duurzame start-ups in Nederland. Het is de dertiende editie van de ASN Bank Wereldprijs waarmee de bank startende duurzame ondernemers helpt groeien.

De ondernemers maakten tijdens het traject een businessplan, kregen verschillende trainingen en werden persoonlijk gecoacht. Na een spannende pitchronde koos de jury deze zes finalisten:

  • BESE – helpt waterrijke natuurgebieden herstellen met behulp van biobased, bio-afbreekbare materialen. Mariene ecoloog Malenthe Teunis en haar teamgenoten gebruiken elementen gemaakt van afval uit de patat-industrie (zetmeel) om de natuur te helpen bij het opstarten van jonge planten en dieren. Ze bieden hiermee een milieuvriendelijk alternatief voor vervuilende en permanente materialen zoals plastic en beton.
  • DeWarmte verwarmt uw huis met warmte dat via doucheputje of wasmachine wegstroomt. Auke de Vries en Sander Wapperom winnen warmte terug uit het huishoudelijk riool en slaan het op voor hergebruik met hun innovatieve HeatCycle. Ze benutten waardevolle warmte die anders verloren gaat en hebben zo positieve impact op de energietransitie.
  • FALAFVAL – maakt falafel van groente-reststromen, opgekocht bij de lokale producent voor een eerlijke prijs. Ayuk Bakia en Scifo Minnaard laten zien -en proeven- dat veel voedselafval écht geen afval is. Met minimum waste, maximum taste strijden ze voor een duurzamere voedselketen.
  • Forest Wool – maakt textiel van dennennaalden. Materiaalontwerper Tamara Orjola verandert dennennaalden -afvalmateriaal afkomstig uit de houtindustrie- in vezels voor textielproductie. Omdat er geen landbouwgrond en water nodig zijn voor de productie van haar Forrest Wool is het een duurzaam alternatief voor katoen.
  • Kumasi Drinks – maakt eerlijke sappen en soda’s van het vruchtvlees van de cacaovrucht. Door een product te maken van het sap dat vrijkomt bij het openbreken van de cacaovrucht zorgen Lars Gierveld, Linda Klunder en Rogier Power ervoor de cacaoboeren meer verdienen aan hun product én dat de Nederlandse consument kan genieten van een (h)eerlijk drankje.
  • Natulatte – helpt bedrijven aan een plantaardige koffiebreak met koffiecreamers en lattes op basis van haver. Astrid van Santen biedt met haar start-up een smakelijk alternatief voor het gebruik van koemelk in de kantoorkoffie of de koffie onderweg. Zo draagt ze bij aan een dier- en klimaatvriendelijk voedselpatroon.

Vakjury kiest winnaars op 11 november
De vakjury -met onder meer Ynzo van Zanten van Tony’s Chocolonely, Faiza Oulahsen van Greenpeace en duurzame mode- en lifestyle expert Marieke Eyskoot – verdeelt op 11 november a.s. de prijzenpot van € 50.000,- onder drie winnaars tijdens een digitaal finale-event. Er wordt o.a. gelet op duurzaamheid, innovatie en ondernemerschap. Daarnaast maken alle zes de finalisten kans op de publieksprijs van € 5.000,-, waar een stemronde aan vooraf gaat.

Juist nu innovatieve en sociale ondernemers nodig
Arie Koornneef, directeur van ASN Bank: “Ik ben onder de indruk van het niveau van de deelnemers. Ik zie in alle finalisten gamechangers, die met hun idee duurzame vooruitgang stimuleren. De huidige crisis maakt extra duidelijk hoe hard we deze innovatieve en sociaal ondernemers nodig hebben. Allemaal denken ze buiten de geijkte kaders en hebben het lef om flinke stappen voorwaarts te zetten. Daarmee zijn ze dé pioniers voor een duurzame toekomst. Ik ben heel benieuwd waar de keuze van de vakjury en het publiek naar uit gaat.”

Over de ASN Bank Wereldprijs
Sinds 2008 is de ASN Bank Wereldprijs dé competitie voor duurzame startups in Nederland. Deelnemers maken kans op een traject met coaching, training en publiciteit. De twaalf voorgaande edities betekenden de doorbraak van inmiddels bekende bedrijven zoals Yoni en Seepje. De ASN Bank Wereldprijs wordt georganiseerd met als doel startende ondernemers te ondersteunen en samen met hen de samenleving te verduurzamen. Voor meer informatie zie www.asnbank.nl/wereldprijs

 

(bron ; Brisk – 10 november 2020)

(Social) Rubio Impact Ventures verdubbelt zijn fondsomvang tot 100 miljoen

Impact-investeerder Social Impact Ventures heeft voor zijn tweede fonds 55 miljoen euro opgehaald bij een aantal institutionele partijen, vermogende families en ondernemers.
Het geld is bestemd voor investeringsrondes van 1 tot 8 miljoen euro. Inclusief het eerste fonds heeft de Amsterdamse investeerder nu bijna 100 miljoen euro onder beheer.

Het fonds van Willemijn Verloop, Helmer Schukken, Warner Philips en Machtelt Groothuis herdoopt zich tegelijk tot Rubio Impact Ventures. Vijf jaar geleden was impact-investeren nog een niche, maar nu is het zo’n beetje mainstream, licht Verloop de naamsverandering toe. ‘Dan helpt het niet als je een naam hebt die de categorie beschrijft.’, ‘want social Impact is eigenlijk een categorie geworden’.

R.I.P. Social Impact Ventures, lang leve Rubio Impact Ventures. Onder die naam wordt het tweede fonds van de in Amsterdam gevestigde investeerder gevuld met nog eens 55 miljoen euro. Samen met 10 miljoen euro aan nieuw geld uit de Seed Capital-regeling van de RVO komt het totaal beheerde vermogen nu op bijna 100 miljoen euro. Social Impact Ventures kennen we als geldschieter achter onder meer Black Bear Carbon en Goodfuels.

De verse 55 miljoen is afkomstig van 15 spelers, waaronder ASR en de Europese Investeringsbank, die al partners waren in het eerste fonds. Een deel is afkomstig van family offices, oftewel kapitaalkrachtige families (die niet met hun naam in de media willen).

Onder de geldschieters zitten ook een aantal ondernemers die zelf net hun bedrijf hebben verkocht, en die nu een deel van hun kapitaal naar impact-bedrijven willen brengen. Rubio-partner Willemijn Verloop: ‘Toen we vijf jaar geleden begonnen zag je vooral family offices die al langer met impact bezig waren. Nu zie je een nieuwe generatie opstaan van ondernemers die succesvolle exit deden en die hun geld in impact stoppen. Het leuke is dat je dan naast geld ook zeer ervaren ondernemers aan van boord krijgt, wat voor de deelnemende bedrijven ook heel interessant kan zijn.’ Welke ondernemers hun geld op impactgebied aan het werk zetten, wordt niet bekendgemaakt.

Sociale ondernemingen financieel gezond, maar hard getroffen door Corona

De meerderheid van de sociale ondernemingen is financieel gezond, creëert banen en trekt met succes financiering aan. Maar Corona treft ook deze missie-gedreven ondernemers hard, al leidt deze crisis ook tot kansen en innovatieve samenwerkingen. Dit alles blijkt uit De Social Enterprise Monitor 2020.

Sociale ondernemingen financieel gezond

Een groot gedeelte van de sociale ondernemingen heeft in 2019 winst gemaakt (43%). Dit aandeel is gegroeid ten opzichte van het jaar daarvoor (36%). Sociale ondernemingen leveren daarmee naast maatschappelijke waarde ook steeds meer economische waarde. Ze weten over het algemeen ook de juiste financiering te vinden. Van de ondernemingen die kapitaal hebben gezocht (43%), geeft 60% aan ten minste één financiering volledig te hebben gekregen. De werkgelegenheid bij sociale ondernemingen is tussen 2019 en 2020 met 10% toegenomen.

Covid-19: ondernemers hard getroffen maar ook kansen
Ondanks dit sterke ondernemerschap, zijn de meeste sociale ondernemingen, net als andere (MKB) bedrijven in Nederland, hard getroffen door de coronacrisis. 74% van de bedrijven verwacht minder omzet te draaien, 40% heeft NOW aangevraagd en voor 20% komt het voorbestaan in gevaar. Maar er is ook een andere kant aan dit verhaal. Een kwart van de ondernemers ziet kansen voor nieuwe afzetmarkten en een kleine groep (6%) gaat zelfs uitbreiden! Zie het specifieke bericht over sociale ondernemingen in coronatijd hier.

Aantrekken/behouden klanten en (h)erkenning grootste uitdagingen
De effecten van Covid-19 zijn duidelijk zichtbaar in de belangrijkste obstakels voor sociale ondernemingen. Stipt op één staat het aantrekken van nieuwe en behouden van bestaande klanten: 45% van de ondernemers geeft aan dit te zien als een obstakel voor groei. Dit obstakel kwam ook terug in voorgaande edities van de Social Enterprise Monitor, maar nooit eerder met zo’n hoog percentage. In 2019 werd het bijvoorbeeld door 27% van de sociaal ondernemers genoemd als obstakel. Daarnaast lopen veel ondernemers (31%) aan tegen het feit dat ze niet worden erkend en herkend voor wat ze zijn, doen en bereiken. Dit percentage is ook opvallend hoger dan de jaren ervoor, maar te verklaren door de tijd waarin we nu leven. Dit geeft alleen maar extra gewicht aan de aankondiging van het kabinet op afgelopen 10 juli dat ze de BVm zullen introduceren als juridische erkenning voor sociale ondernemingen.

Impact first: SDG’s integraal onderdeel en actief anderen aanzetten tot duurzaam gedrag
De duurzame ontwikkelingsdoelen van de Verenigde Naties (SDG’s) worden door meer dan de helft van de sociale ondernemingen (51%) geïntegreerd in de bedrijfsstrategie/-activiteiten of is dit van plan. Hoewel het reguliere MKB nog steeds amper bekend lijkt te zijn met deze doelen (MKB servicedesk), lopen sociale ondernemingen voorop en maken zij de SDG’s een integraal onderdeel van hun bedrijfsvoering door bijvoorbeeld hun bijdrage aan deze doelen op te nemen in hun jaarverslag. Maar de maatschappelijke waarde van deze ondernemingen gaat verder dan de eigen onderneming. 96% geeft aan actief andere organisaties aan te zetten tot duurzamer en inclusiever gedrag en handelen. Dit doen ze onder andere door bewustwording te creëren bij consumenten, directe samenwerking aan te gaan met andere bedrijven (corporate, MKB, sociale ondernemingen) en actief te lobbyen bij overheid en politiek. Neem bijvoorbeeld Frank About Tea die met een brief aan de CEO van Unilever in het Financieel Dagblad bewustwording hebben gecreëerd over de omstandigheden van de lokale theeboeren die aan Unilever leveren (en mogelijk de dupe worden bij een verkoop van hun theedivisie). Naar aanleiding van een onderzoek naar deze beinvloedingsrol van sociale ondernemingen zal Social Enterprise NL later dit jaar een rapport publiceren.

De overheid als cruciale partner, klant en obstakel
Sociale ondernemingen en overheden zijn natuurlijke partners gezien ze beide maatschappelijke doelen nastreven. Deze samenwerking gaat echter niet vanzelf. Samenwerking met de gemeente staat op plek 3 (met 31%) van de grootste obstakels, de wet- en regelgeving van de Rijksoverheid op plek 5 (met 25%). Hoewel meer dan de helft (56%) van de ondernemingen op een of andere manier de overheid als klant heeft, gaat dit vaak om incidentele en kleine opdrachten, terwijl ze vaak op zoek zijn naar een meer structurele samenwerking. Sociaal ondernemers hebben daarom ook veel ambitie en zien kansen. 1 op de 3 ondernemers geeft bijvoorbeeld aan een hoger deel van de omzet te willen halen bij gemeenten en nog eens 77% zou het heel graag zien dat gemeenten vaker en meer sociaal (bij hen) zouden inkopen.