Wat je verder nog wil weten over het rapport met de waarschuwingen over het klimaat

Het VN-klimaatpanel IPCC heeft maandag een langverwacht rapport vol waarschuwingen over het klimaat gepubliceerd. Door de uitstoot van broeikasgassen gaan we een toekomst vol hittegolven, droogte en extreme neerslag tegemoet.

Klimaatexpert Rolf Schuttenhelm zat maandag anderhalf uur lang klaar om jullie vragen te beantwoorden. Lees hier een selectie van de beste vragen en antwoorden.

Is het bekend of de lockdowns van het afgelopen anderhalf jaar een positieve invloed op het milieu gehad hebben? En als dat zo is, zou dit dan een reden kunnen zijn voor overheden om milieulockdowns in te gaan voeren?

“Het heeft een goed meetbare invloed gehad op de luchtkwaliteit, dus de hoeveelheid zwevende vervuiling (zwaveldeeltjes, stikstof, fijnstof, roet). CO2 is veel hardnekkiger. Dat blijft grotendeels eeuwen in de atmosfeer. Zolang onze uitstoot niet naar praktisch nul gaat, blijft de concentratie dus stijgen en daarmee ook de gemiddelde temperatuur.”

“Daarom heeft een tijdelijke dip in de uitstoot (8 procent of iets dergelijks) eigenlijk geen meetbaar klimaateffect. Structurele dalingen – van 8 procent doorpakken naar uiteindelijk 100 procent – hebben dat wel. Maar het IPCC-rapport zegt daarover ook: wat we nu doen, kunnen we pas over pakweg dertig jaar meten. Als emissiereductie nu uitblijft, kan de opwarming in de tweede helft van de eeuw nog extreem oplopen (tot meer dan 5 graden).”

TonRotterdam: Een in Nederland veelgemaakte opmerking is: ja, maar wat voor zin heeft het als ons kleine landje (of alleen Europa) veranderingen aanbrengt? Wat zijn de overtuigendste argumenten om als Nederland en Europa een voortrekkersrol te nemen?

“Het verreweg overtuigendste argument is dat Nederland als rivierdelta kwetsbaar is voor een stijging van de zeespiegel. Vanaf 1 à 2 meter zijn dijken geen oplossing meer, zeggen fysisch geografen daarover. En het IPCC houdt rond 2150 al een stijging van 1 tot 5 meter mogelijk, als Antarctica versneld afsmelt. Nederland staat daarom nu al voor heel grote keuzes: of ons inzetten voor 1,5 graden (wat een hoop van de stijging voorkomt) of anders inzetten op een andere landschapsinrichting (op de hoge zandgronden). Die boodschap is absoluut nog niet geland.”

Eb_V_D: Ik ben benieuwd wat de impact van de zeespiegelstijging is. Ik lees overal dat door het smelten van de ijskappen de zeespiegel stijgt, maar wat betekent dat nou echt? Kunnen de kustgebieden bijvoorbeeld gaan verzilten? Is er een impact op de weersomstandigheden in de kustgebieden? Heeft het impact op het waterpeil in de rivieren?

“Ik verklap maar vast dat je de belangrijkste vraag van allemaal stelt en dat we die dinsdagochtend gaan beantwoorden in een groot artikel op basis van interviews met diverse experts. We lijken de neiging te hebben om de gevolgen van zeespiegelstijging niet volledig te begrijpen, omdat we sterk denken in dijken en polders. Maar je noemt er al twee.”

“Verzilting wordt in laaggelegen polders kritiek. Juist door het droogmalen zuig je het zoute water onder de dijk door, daar is niets aan te doen. Nog belangrijker: rivierwater stuwt hoger op en we hebben in West-Nederland vermoedelijk veel meer ruimte nodig om water op te vangen, juist omdat de rivieren niet meer goed kunnen afwateren en zelf ook grilliger worden. De combinatie van springtij en piekafvoer van de Rijn is bij 2 meter zeespiegelstijging problematisch tot aan de Duitse grens.”

Jbe: In hoeverre kunnen delen van Nederland op korte termijn onbewoonbaar worden? En over welke termijn hebben we het dan? Is dit nog denkbaar in onze generatie? En zou dit dan vooral richting de kust zijn door de zeespiegelstijging of meer langs de rivieren door extreme neerslag? Is daar al iets zinnigs over te zeggen?

“Experts die ik spreek over de ‘maximale rek’ van de Nederlandse delta – even de futuristen met absurde plannen voor gigadammen negerend – denken dat we vanaf 1 à 2 meter in grote problemen komen met zowel de laagst gelegen kustregio’s, alsook de hele benedenstroom van het rivierengebied.”

“Rivierwater kunnen we moeilijker kwijt bij hogere zeestanden, dus er is daar véél meer ruimte nodig om water op te vangen. Ook op plekken waar nu mensen wonen of waar nieuwbouw gepland staat. Probleem is de tijdschaal: de zeespiegel blijft doorstijgen, dus voor welke periode plannen wij onze infrastructuur? Honderd jaar? Tweehonderd jaar?”

Dsie: Als ik de landkaarten in het rapport zie, dan lijkt het alsof de klimaatverandering voor enkele gebieden goed nieuws is: de Sahara wordt natter, Siberië warmer. Klopt dit? Dit kan ingewikkeld worden bij onderhandelingen lijkt me, als sommigen liever juist wel klimaatverandering zouden wensen.

“Wat het vooral ingewikkeld maakt, is dat er veel landen zijn die een relatief sterk belang hebben bij het behoud van oude energiebronnen. Australië voor steenkool, Saoedi-Arabië voor olie en Rusland voor gas. Zulke landen werken in het beste geval niet mee in de onderhandelingen, maar liggen zelfs vaak dwars.”

“In de jaren negentig dachten klimaatonderzoekers dat er gebieden zouden zijn die ervan zouden profiteren – met name in het hoge noorden – vanwege (lokaal) betere landbouwopbrengsten. Dat hoor je eigenlijk niet meer terug. Overal op aarde lijkt de nettoschade veel groter dan de voordelen. En dat geldt ook heel specifiek voor Noord-Afrika: de Sahara wordt vooral groter en dreigt ook over de Middellandse Zee richting Spanje te kruipen.”

Jan_Willem_van_Aerdenhaudt: Als in een scenario wordt genoemd dat bossen afsterven, moeten we ons dan ook zorgen maken over zuurstof?

“We hebben nu te maken met verdroging van bossen, zowel het Amazoneregenwoud als bijvoorbeeld de Siberische en Canadese taiga. Het grote probleem is dat die bossen dan netto CO2 kunnen uitstoten en daarmee de opwarming versterken. Zuurstof is in zeer grote hoeveelheden beschikbaar in de atmosfeer en zal geen probleem worden.”

“Als het echt misgaat met bossen – zoals 250 miljoen jaar geleden – veroorzaakt dat een zeer sterke klimaatverandering, waarbij veel soorten uitsterven op land en ook in de zee. Die laatste factor kan dan leiden tot zuurstofloze(re) oceanen. Dat is wel een reële zorg, ook bij de huidige opwarming. 250 miljoen jaar geleden vulde de atmosfeer zich vervolgens ook met zwavelgassen, omdat in het zuurstofarme water andere bacteriën het overnamen. We hebben het wel over de grootste crisis voor het leven die de aarde ooit heeft meegemaakt.”

John_de_Jong_dcdfec: Zijn er nog relevante wetenschappelijke stromingen die de analyses van het IPPC tegenspreken of kunnen we zeggen dat hier volledige consensus over bestaat?

“Het is wel grappig: de auteurs die ik spreek, zeggen mij dat ze nog nooit zo’n extreem sceptisch gezelschap hebben meegemaakt als het geheel van alle IPCC-collega’s. Alles wordt in twijfel getrokken en bediscussieerd. Die consensus zit vervolgens in de zekerheidsgraden per onderwerp. Er is maximale consensus (‘zekerheid’) dat de aarde opwarmt en dat dit komt door een verhoging van de concentratie broeikasgassen door de mens. Over heel veel andere onderwerp bestaat veel interne discussie en een goede klimaatwetenschapper is continu bezig z’n eigen ongelijk te vinden.”

“Binnen de klimaatwetenschap bestaat overigens geen tegenstroming. Je hebt er niet twee scholen of iets dergelijks. In de verdere samenleving is dat natuurlijk wel zo, omdat het daar een politiek onderwerp is waarin meningen belangrijker worden dan feiten.”

Bron : NU.nl – 09 augustus 2021

Build Back better!

Solidaridad en Fairtrade Nederland richten zich samen met 16 andere maatschappelijke organisaties tot leden van de Tweede Kamer om te pleiten voor een forse wijziging van beleid nu de Corona pandemie in Nederland onder controle lijkt. Want terug willen naar het oude “normaal”is geen optie, naar een betere wereld wel!: Build Back Better.
In dit artikel leest u de brief aan de kamerleden van deze brede coalitie.

Geacht Kamerlid,

De corona crisis is een uitgelezen kans om de wereld te verbeteren: build back better.

Een jaar geleden riepen 11 organisaties samen op om tot actie te komen voor wederopbouw die in het teken staat van veerkracht, wereldwijde samenwerking, sociale, economische en ecologische duurzaamheid én van rechtvaardigheid. Toen schreven we: “Nu we in Nederland goed op weg zijn de eerste schok te boven te komen en we in de komende weken een geleidelijke versoepeling van maatregelen zien, moeten we er echt en oprecht voor waken niet terug te vallen in onze oude patronen”. Een jaar later houdt de Covid pandemie de wereld nog altijd in haar greep en is de wereldwijde impact immens. Lock downs, het deels stilvallen van de wereldhandel, internationale productieketens en transport vertragen de bestrijding van armoede. Als gevolg van Covid neemt voor het eerst in twintig jaar het aantal mensen dat in extreme armoede leeft weer toe.

Wat zegt het over ontwikkelde landen als we nu niet solidair kunnen zijn? Gedeelde verantwoordelijkheid is in deze voortdurende crisis het sleutelwoord. Het credo “alleen samen krijgen we corona onder controle” geldt ook internationaal. We kunnen onze ogen niet sluiten voor de mogelijkheid van een volgende crisis. De opwarming van het klimaat zal de kwetsbaarheid en ongelijkheid de komende jaren verder versterken. Structurele oplossingen zijn onmogelijk zolang we de meerderheid van de wereldbevolking blijven buitensluiten. Als er één ding duidelijk is geworden in deze crisis, is het dat we wereldwijd met elkaar verbonden zijn.

Met het oog op de aanstaande formatie van een nieuw kabinet brengen we Build Back Better opnieuw onder uw aandacht. Dat doen we met nóg meer organisaties dan afgelopen jaar en met de volgende drie uitgangspunten:

  • Maak een leefbaar inkomen en loon uitgangspunt van beleid voor internationale handel en duurzame economische ontwikkeling
  • Blijf Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen aanjagen bij het Nederlandse bedrijfsleven
  • Versnel de uitvoering van de plannen tegen klimaatverandering

In deze  bijlage lichten we deze drie punten toe en geven we concrete suggesties.

Let us build better, together, second time around!

(bron:Solidaridad, 28 juni 2021)

Week zonder Afval: verminder, hergebruik of repareer!

Op maandag 31 mei de aftrap van de Week zonder Afval n, een initiatief van Milieucentraal waarin consumentenbewustwording over afval en de circulaire economie centraal staat. Tijdens de openingswebinar stonden verschillende sprekers onder meer stil bij ontwikkelingen die we de komende jaren kunnen verwachten.

De Week zonder Afval werd afgetrapt met een webinar geopend door demissionair staatssecretaris Stientje van Veldhoven. “Het lineaire economisch systeem dat we nu hebben is onhoudbaar. Grondstoffen raken op of worden duurder, terwijl de afvalberg blijft groeien. Maar gekoppeld kunnen deze twee problemen ook een oplossing zijn.”

Brede benadering circulariteit

In de webinar werd meermaals onderstreep dat de circulaire economie meer is dan alleen recycling. “Recycling is eigenlijk de laatste stap”, vertelde Anne-Marie Rakhorst, voorzitter van de transitieagenda consumentengoederen. “Als consument kun je in eerste instantie weigeren een product te kopen, een oud product hergebruiken, repareren of ombouwen tot iets anders. Dit zijn allemaal keuzemomenten die ook onderdeel zijn van de circulaire economie.”

Ambachtscentra

Een interessant initiatief dat Rakhorst aangekondigde zijn zogeheten ‘ambachtscentra’, als alternatief op milieustraten in gemeenten. Een ambachtscentrum is een plek waar je als consument je afgedankte spullen naartoe brengt. Op dit terrein staat dan bijvoorbeeld een kringloopwinkel, een elektronica- of kledingreparateur of grofvuilverwerker. Bij aankomst wordt door experts bepaald wat de beste bestemming is voor de afgeleverde spullen, zodat grondstoffen optimaal benut kunnen worden.

Voor modeketens veranderen over een aantal jaar de regels waardoor producenten zelf verantwoordelijk worden voor inzameling, recycling en hergebruik van textiel.

Meer wetgeving wegwerpplastic

Ook besteedde het ministerie van IenW aandacht aan de nieuwe Europese richtlijn voor single-use-plastic (SUP) die per 3 juli ingaat. De richtlijn is opgesteld om de vervuiling van de meest voorkomende gevonden plasticproducten te verminderen. Zo geldt per 3 juli een handelsverbod op plastic wegwerpborden en bestek en krijgen verpakkingen als drinkbekers en sigaretten een embleem dat ze kunststof bevatten en niet in de natuur thuishoren.

Ook geldt vanaf 2025 dat plasticproducten gerecycled materiaal moeten bevatten en is vanaf 2024 de flessendop verbonden aan de plastic fles zelf. Specifiek voor Nederland geldt dat nog dit jaar een uitgebreid statiegeldprogramma wordt opgezet voor plastic flessen, waarmee ook kleine flesjes ingeleverd kunnen worden.

Nederland wacht nog een flinke uitdaging als het de recyclingdoelstellingen voor verpakkingen wil halen. Minder dan een derde is op dit moment goed recyclebaar.

Week zonder Afval

Verder stond de hele week in het teken van het verminderen van afval. Er konden  afvalbesparingstips gedeeldkomen mensen in podcasts aan het woord met innovatieve ideeën en organiseerde Milieucentraal Zero Waste Wandeltours waarin deelnemers verpakkingsvrij hun boodschappen kunnen doen.

Laten we hopen dat deze week ons nog bewuster heeft gemaakt van het verminderen van afval en we er gewoon mee door gaan!

(bron; Change Inc. Teun Schroder – 31 mei 201)

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen zitten in het slop door corona

Terwijl ik denk dat we de transitie versnelling in de rug hebben en er juist aandacht is om te werken aan een betekenisvolle economie, triggert deze kop me. De verwoestende effecten van Covid-19 maken ons wellicht wel bewust van de noodzaak, het bereiken daarvan blijkt moeilijker in deze tijden.

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen (sdg’s) bereiken in 2030 is zo goed als onmogelijk, dat maakt het verwoestende effect van COVID-19 duidelijk.’ Dat stelt professor Internationale communicatie’ en Communicatie voor sociale verandering Jan Servaes in deze opinie.

Zitten de Duurzame Ontwikkelingsdoelen in het slop door de huidige pandemie? Het korte antwoord is: ja, maar de mot zat er al lang in.

Dit debat begon al voor 2015, het jaar waarin de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (of Sustainable Development Goals, sdg’s) werden aangenomen als opvolger van de in 2000 overeengekomen Millennium Ontwikkelingsdoelen of mdg’s. De acht Millenniumdoelen werden uitgebreid tot zeventien gigantische doelen en 169 streefcijfers.

Aan de hand van projecties van internationale organisaties als de Wereldbank, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), kwantificeerde het Britse Overseas Development Institute (ODI) in 2015 al hoeveel de wereld de huidige trends zou moeten versnellen om de sdg’s in 2030 te bereiken.

Slechts 3 van de 17 sdg’s lagen in 2015 op schema om een aanvaardbaar resultaat te bereiken tegen 2030.

Onmogelijk tegen 2030

Met het verwoestende effect van COVID-19 in bijna elke sector van de wereldeconomie is het duidelijk dat het bereiken van de sdg’s in 2030 zo goed als onmogelijk wordt. Het aanpakken van ontwikkelingsdoelstellingen door natiestaten is bovendien moeilijker dan werd erkend door de opstellers van de 2030-agenda voor ontwikkeling.

‘Economen die ontwikkelingsbeleid ontwerpen hebben geen voeling met de realiteit van gewone mensen.’

Een studie van Lin en Monga uit 2017 concludeerde bijvoorbeeld dat tussen 1950 en 2008 het slechts 28 landen lukte om hun achterstand op de Verenigde Staten met 10 procent of meer te verkleinen. Het gaat hier om een periode van 58 jaar, terwijl de 2030-agenda binnen 15 jaar moet worden gerealiseerd. Van de 28 landen die Lin en Monga noemen, waren er slechts 12 niet-Europees of een niet-olie-economie.
Volgens Lin en Monga kan de uitdaging om de economie van ontwikkelingslanden te vernieuwen niet los gezien worden van enkele intellectuele en beleidsfouten die zijn opgelegd door de Washington-consensus in de jaren ‘70 tot ‘90. Deze jaren worden beschreven als het verloren decennium voor ontwikkelingslanden.

Banerjee en Duflo, die de Nobelprijs voor de Economie van 2019 deelden voor hun werk op het gebied van armoedebestrijding, benadrukten in datzelfde jaar dat economen die ontwikkelingsbeleid ontwerpen geen voeling hebben met de realiteit van gewone mensen.

In een meer recente analyse, gepubliceerd in het gezaghebbende tijdschrift World Development, vragen ook Moyer en Hedden zich af hoe haalbaar de sdg’s zijn onder de huidige omstandigheden. Ze belichten moeilijkheden voor sommige sdg-indicatoren (toegang tot veilige sanitaire voorzieningen, voltooiing van de middelbare school, en kinderen met ondergewicht) die niet zullen worden opgelost zonder een significante verschuiving in binnenlands en internationaal hulpbeleid en prioriteiten.

Daarnaast noemen Moyer en Hedden 28 bijzonder kwetsbare landen die naar verwachting geen van de negen streefwaarden voor menselijke ontwikkeling zullen halen. Deze meest kwetsbare landen zouden op internationale hulp en dus financiële steun moeten kunnen rekenen.

Financiering

De verwezenlijking van de 2030-agenda kan alleen worden bereikt als drie factoren goed zitten.

De eerste factor is financiering. Hoewel elk land zijn eigen prioriteiten heeft, blijft het betalen van de rekeningen voor de sdg’s een penibel dossier. De Asia-Europe Foundation berekende dat ‘de totale investeringskosten om de sdg’s tegen 2030 te bereiken tussen 5000 en 7000 miljard dollar per jaar op mondiaal niveau en tussen een totaal van 3300 en 4500 miljard dollar per jaar in ontwikkelingslanden’ bedragen. Dit betekent volgens de Asia-Europe Foundation ‘een gemiddelde investeringsbehoefte van 2500 miljard dollar per jaar in de ontwikkelingslanden’. Deze landen zouden volgens de organisatie hun eigen ramingen moeten opstellen ‘om een beter inzicht te krijgen in de reële financiële behoeften van de sdg’s’.

Een aanzienlijke inspanning moet worden geleverd via de particuliere sector en door filantropen.

Een aanzienlijke inspanning moet worden geleverd via de particuliere sector en door filantropen. Terwijl regeringen en gewone mensen hard zijn getroffen door de gezondheids- en economische impact van COVID-19, was de pandemie in zekere zin goed nieuws voor miljardairs, van wie velen hun rijkdom astronomisch hebben zien toenemen.

Uit een rapport van het in Washington gevestigde Institute of Policy Studies blijkt dat Amerikaanse miljardairs hun rijkdom tussen maart en november 2020 met 1000 milard dollar hebben zien groeien. Uit het rapport blijkt ook dat het vermogen van Jeff Bezos, de eigenaar van Amazon, tussen maart en november 2020 met 61 procent toenam, van 113 miljard dollar naar 182,4 miljard dollar.

Het rapport voegde daaraan toe dat er slechts drie jaar geleden nog geen enkele multimiljardair was, een persoon met een nettowaarde van meer dan 100 miljard dollar. Sinds november 2020, het hoogtepunt van de pandemie, zijn er minstens vijf: Jeff Bezos van Amazon, Bernard Arnault van Louis Vuitton, Bill Gates van Microsoft, Mark Zuckerberg van Facebook en Elon Musk van Tesla. Deze multimiljardairs, samen met de meer dan tweeduizend miljardairs wereldwijd, zijn rijk genoeg om substantiële vooruitgang te helpen boeken in sommige van de sdg’s.

Politieke wil

De tweede belangrijke factor die kan helpen om de sdg’s te bereiken is politieke wil. Veel landen hebben ambitieuze nationale ontwikkelingsplannen opgesteld die er op papier fantastisch uitzien. Maar hoeveel van die plannen worden uiteindelijk verwezenlijkt? Wanneer men ziet dat het wel en wee van een land met succes is veranderd door de effectieve uitvoering van nationale plannen, kan men die verwezenlijkingen niet los zien van de sterke politieke wil van de leiders. Het voorbeeld van China spreekt voor zich .

De cruciale vraag die moet worden gesteld is of die politieke wil er overal is. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Antonio Gutierres, gaf vorig jaar het antwoord naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen: ‘Het is onvermijdelijk dat één cruciaal ingrediënt nog ontbreekt. Politieke wil. Zonder politieke wil zullen noch de publieke opinie, noch de belanghebbenden voldoende actie ondernemen’.
Hier ligt de uitdaging om de sdg’s te verwezenlijken.

Communicatie

De derde factor is de noodzaak van een robuuste communicatie voor ontwikkeling en sociale verandering, zodat de politieke wil kan worden overgebracht op alle belanghebbenden.

Leiders die inspireren tot verandering doen dat met de communicatiemiddelen die voorhanden zijn. Terwijl het digitale tijdperk sociale systemen verstoort en transformaties stimuleert op een ongeëvenaarde schaal en aan een ongezien tempo blijven de sdg’s vrij stil over het onderwerp.

Vandaag bepalen digitale technologieën wat we lezen en consumeren, hoe we stemmen en hoe we omgaan met elkaar en de wereld om ons heen. Er duiken veel risico’s en onzekerheden op, waaronder bedreigingen voor individuele rechten, sociale rechtvaardigheid en democratie, allemaal versterkt door ‘de digitale kloof’ — de verschillende snelheid van internetpenetratie en toegang tot digitale technologieën over de hele wereld.

Geen van de sdg’s kan worden bereikt tenzij mensen in staat zijn hun dromen, zorgen en behoeften te communiceren — lokaal, nationaal, regionaal, wereldwijd. Het is tijd voor een nieuwe doelstelling: sdg 18 of communicatie voor iedereen.

Communicatie voor sociale verandering moet in het tijdperk van COVID-19 ook rekening houden met de uitdaging van verkeerde informatie bij het initiëren van communicatiestrategieën. Daarom zijn de communicatiestrategieën van de Wereldbank, UNICEF of WHO niet alomvattend genoeg.

Ten eerste hebben zij geen rekening gehouden met de uitdagingen die volgen uit een infodemie en de massale productie van nepnieuws bij de aanpak van de pandemie. De tweede tekortkoming is dat de strategieën weinig wetenschappelijke communicatie bevatten om het publiek bewust te maken van de manier waarop gezondheidsdeskundigen beslissingen nemen en het publiek adviseren over haar veiligheid.

Om al deze redenen moeten de Verenigde Naties en de rest van de internationale gemeenschap realistisch zijn en de 2030-agenda voor ontwikkeling herzien door de tijdlijn te verschuiven van 2030 naar 2050. Sommige regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, hebben de datum voor de verwezenlijking van hun ontwikkelingsdoelstellingen al vastgesteld op 2063.

De sdg’s moeten prioriteit krijgen met sdg1 (het uitbannen van extreme armoede) als belangrijkste doelstelling voor de komende tien jaar. Het uitbannen van extreme armoede zal waarschijnlijk gevolgen hebben voor andere sdg’s, met name sdg’s 2,3,4,5 en 6.

De inspanningen om extreme armoede uit te roeien mogen niet gebaseerd zijn op slogans, maar moeten door regeringen, financieringsinstellingen, donoren en filantropen worden gezien als de beste kans om de mensheid te redden. De intellectuele fouten en beleidsvoorschriften die aan lage- en middeninkomenslanden worden opgelegd en die hen verder in de afgrond van onderontwikkeling storten, moeten vermeden worden.

Door het tijdschema voor de verwezenlijking van de sdg’s op 2050 te stellen, zal er voldoende tijd zijn om de tot dusver geboekte vooruitgang opnieuw te evalueren, de doelstellingen aan te vullen en het verloren terrein door de verwoestende impact van COVID-19 terug te winnen. Het zal de wereldgemeenschap ook voldoende tijd geven een strategie uit te stippelen over hoe moet worden omgegaan met de mogelijke verdere opkomst van rechtse, populistische en nationalistische regeringen die beperkingen kunnen opleggen aan de sdg’s door hun minachting voor multilateralisme.

Daarnaast moeten er ook van tevoren plannen worden gemaakt om de schade te beperken: de schade van eventuele volgende rampen, die de verwezenlijking van de sdg’s zouden kunnen schaden.

(bron – Mondiaal nieuws BE, april 2021 Jan Servaes)

Hoe impactgericht werken goede doelenorganisaties eigenlijk ?

Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) stelt ieder jaar aan alle Erkende Goede Doelen reflectievragen. In 2019 ging dat over impact, wat resulteerde in de publicatie ‘Een Vuist voor Impact’, met vijf vragen om impactmanagement te beoordelen. In samenwerking met Impact Centre Erasmus  zette voor de toezichthouder de belangrijkste uitdagingen op het gebied van impactmanagement op een rijtje.

Een Vuist voor Impact

Een Vuist voor Impact gaat over de vraag ‘hoe impactgericht goede doelenorganisaties eigenlijk werken’. De hoofdvraag die daarbij gesteld wordt luidt: ‘doe je als organisatie de goede dingen?’ Doel van de publicatie is aanzet geven tot zelfreflectie en verdere actie. Het rapport is een verslaggeving van onderzoek naar impact onder de leden van het CBF met handige tips en adviezen van het Impact Centre Erasmus met verwijzingen naar meer verdieping. Dat alles bondig samengebracht in ‘een handvol vragen, die, met een sluitend antwoord op alle vragen, een vuist vormen; een vuist met impact’.

Vraag 1: Waarom doe ik wat ik doe?
Het rapport stelt dat goede doelenorganisaties aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk werken en daaraan een waardevolle bijdrage willen leveren. Daarbij hopen de organisaties dat hun activiteiten bijdragen aan een bepaalde verbetering. Het rapport toont daarvoor een handig model aan de hand van de verandertheorie: ‘de denkstappen die gemaakt moeten worden van activiteiten naar de uiteindelijk beoogde verbetering’. Het CBF wijst daarbij de weg via input naar activiteiten naar outputoutcome en impact. De verandertheorie zou uiteindelijk antwoord moeten geven op de vraag: waarom doe ik wat ik doe?

Vraag 2: Hoe weet ik dat wat ik doe ook werkt?
Bij de tweede vraag draait het om de aannames die gedaan worden tijdens het analyseren van de verandertheorie en het vervolgens kritisch onderzoeken van die aannames. Volgens het CBF doet een betrouwbaar verhaal het goed in fondsenwerving, maar vraagt de gever steeds meer om een bewezen aanpak. CBF: ‘Door aannames expliciet te maken en te onderzoeken kunnen aantoonbare resultaten gevonden worden. Maar pas op voor ‘grote stappen, snel thuis’. Maak de denkstappen niet te groot en besteed aandacht aan de tussenstappen. Aannames laten zien namelijk zien waar de risico’s en onzekerheden zitten.’

Vraag 3: Is dit het beste wat ik kan doen?
Er is nooit één manier om verandering teweeg te brengen; er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. Het CBF kaart bij deze vraag aan dat het verleidelijk kan zijn voor organisaties om te kiezen voor een welbekende, vaak toegepaste aanpak. Om dat te voorkomen staan er in het rapport een paar kritische vragen: ‘Op basis waarvan kies je wat je gaat doen? Zijn er verschillende oplossingen overwogen? Wat zou hier het beste werken? En ben jij als organisatie degene die dat het beste kan?’ Om verschillende oplossingen af te wegen biedt het CBF een handig ezelsbruggetje, een ABC: Alternatief – Behoefte – Context. De vraag die je je als organisatie kan stellen, luidt: is deze aanpak het beste alternatief, gezien de behoefte en de context? Om van daaruit te bepalen welke rol het beste bij de organisatie past.

Regel 4: Wat is het effect dat ik zie?
‘Impact gaat over het langetermijneffect van activiteiten.’ Het CBF wijst daarbij op het belang van een nulmeting, een controlegroep en bovenal geduld. Daarbij maakt het CBF een verschil tussen impact weten en impact meten benoemd. De toezichthouder hecht er meer belang aan dat organisaties hun impact kritisch bekijken dan dat er wordt aangetoond hoeveel impact er precies wordt gemaakt. Het gaat hier dus om zelfreflectie: het CBF stimuleert organisaties zo om na te denken over wat meer en wat minder effectief is.

Regel 5: Wat draag ik bij aan een betere wereld?

Met de laatste vraag maakt het rapport ‘de cirkel weer rond naar het ideaal dat een organisatie wil verwezenlijken’. Hierbij gaat het om ‘de gezamenlijke impact van de sector te verantwoorden’. De definitie van een betere wereld is op wereldschaal afgestemd binnen de Verenigde Naties in de zeventien Sustainable Development Goals (SDG’s). Het CBF moedigt de sector aan om aansluiting te zoeken binnen het grootste deel van deze SDG’s. ‘Wie bijdraagt aan een betere wereld moet toch kunnen aangeven op welk vlak hij dan verschil maakt’, stelt het CBF.  ‘Alle goeded oelenorganisaties, als verwenzelijkers van een betere wereld, zouden moeten nagaan hoe hun impactverhaal aansluit op de SDG’s.’

(bron- De Dikke Blauwe – maart 2021)

Bron: CBF
Download hier het volledige rapport “Een vuist voor impact”

Social Impact Bonds- Hype of duurzame Win-Win?!

Steeds meer gemeenten gaan met private geldschieters in zee om nieuwe aanpakken voor lastige maatschappelijke problemen te vinden. Dat kan werken als een vliegwiel voor innovatie en efficiëntie. Maar dan moet het wel meer zijn dan alleen een bezuinigingsmaatregel, schrijven Menno Bosma en Hans van de Veen in hun boek over Social Impact Bonds.

Innovaties
In Social Impact Bonds (SIB’s) worden publieke doelen verenigd met privaat kapitaal. Zo investeerden maatschappelijke fondsen, banken en (zorg)verzekeraars de afgelopen jaren in innovaties om mensen in de bijstand naar werk te begeleiden, de schulden van multiprobleemgezinnen op te lossen en statushouders te helpen in te burgeren. Het idee is: er wordt een nieuwe aanpak getest waarmee de gemeente mogelijk geld kan besparen. Als het lukt om het doel te bereiken, deelt de geldschieter mee in de winst.

Belangstelling
Het klinkt aantrekkelijk. Een succesvolle Social Impact Bond levert winst op voor de inwoners (een maatschappelijk probleem wordt opgelost) én voor de gemeentekas (een duur probleem wordt goedkoper). Bovendien: eventuele verliezen komen op conto van de investeerder en gaan dus niet ten koste van publieke middelen. In tijden van krappe budgetten en grote maatschappelijke opgaven wordt de formule steeds aanlokkelijker. Na een opmars van het fenomeen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, groeit de belangstelling ook in Nederland. We staan zelfs al op nummer drie op de wereldranglijst wat betreft het gebruik van SIB’s.

Bezuiniging
Toch moeten gemeenten uitkijken, zeggen Menno Bosma en Hans van de Veen, die onlangs het boek ‘De belofte van de Social Impact Bond’ uitbrachten. Ja, een SIB kan win-win-win zijn, met maatschappelijke innovatie, besparing op gemeenschapsgeld en zelfs een mooi commercieel rendement als resultaat. Maar als het financiële gewin de overhand krijgt, kan dat ten koste gaan van de maatschappelijke doelstellingen. Een SIB moet dus meer zijn dan een investeringsinstrument of een bezuinigingsmaatregel.

Waarom moest er een boek komen over SIB’s?
Menno Bosma: ‘De laatste jaren is het onderwerp redelijk booming in bepaalde kringen. Maar je ziet ook dat het een in-crowd verschijnsel is. Onder het grotere publiek is het nog steeds niet heel bekend. Daarom is er weinig discussie over. Dat komt ook omdat er weinig informatie over beschikbaar is. Die informatie ligt vaak alleen bij college van B en W, niet bij gemeenteraad. Er heerst veel koudwatervrees op dat gebied. Wij vinden dat het politiek debat ontbreekt over de voorwaarden waaronder je dit doet. Je kunt in SIB’s een soort losgeslagen instrument van privatisering zien, of een nuttige verrijking van het sociaal domein. Dat debat moet gevoerd worden.’

Zijn jullie uiteindelijk voor- of tegenstanders van de SIB?
Bosma: ‘We kwamen tijdens het schrijven zoveel goede voorbeelden tegen, dat we van sceptici tot gematigde voorstanders zijn geworden. Maar we zijn wel kritisch over de manier waarop het nu in Nederland wordt toegepast. Wat we zien is dat het vooral eenzijdig als kostenbesparingsinstrument wordt gebruikt, en dat beproefde aanpakken steeds herhaald worden. Steeds met maar één uitvoerder, die maar één methode toepast. Op die manier vindt er weinig innovatie plaats.’

Hans van de Veen: ‘Daarom is er behoefte aan meer transparantie en meer onderzoek. Veel SIB’s beginnen bijvoorbeeld zonder nulmeting. Dan worden er veel te weinig lessen geleerd.’

In een SIB moet geld verdienen samengaan met het verbeteren van het welzijn van mensen. Is er niet een inherente frictie tussen die twee doelen?
Bosma: ‘Wat je ziet is dat de impuls om geld te verdienen vaak zo sterk is, dat er nauwelijks welzijnsdoelstellingen gekozen worden. Men kiest bijvoorbeeld voor werktoeleiding: het laaghangende fruit, wat vrij makkelijk te realiseren is. De methoden zijn vaak niet bijster vernieuwend. Het ging, zeker bij de eerste SIB’s, niet zozeer om het welzijn van deelnemers, maar het ging er vooral om dat mensen zo snel mogelijk uit de bijstand gemieterd konden worden.’

Van de Veen: ‘Maar ons voorzichtig positieve eindoordeel is er ook op gebaseerd dat we de ontwikkeling richting meer maatschappelijke doelstellingen wel zien.’

Kunnen jullie verklaren waarom Nederland de op-twee-na grootste gebruiker van SIB’s is?
Van de Veen: ‘Dat hebben wij ons ook afgevraagd, waarom het nu opkomt, en waarom in Nederland. We denken dat het net op het goede moment arriveerde. Een jaar of zeven geleden. Overheden hadden weinig geld vanwege de financiële crisis, met de decentralisering kregen de gemeenten allerlei nieuwe sociale taken. En dan roept een creatieve ambtenaar: laten we dit eens proberen.’

Wat moet je als gemeente vooral wel en niet doen als je met SIB’s aan de slag wil?
Bosma: ‘Laat je de kaas niet van het brood eten door de investeerder. Bedenk zelf goed wat je wil. Ga ook niet meteen uit van één soort oplossing, maar laat de mogelijkheid open voor meerdere methoden. En: transparantie. Zorg dat resultaten openbaar gemaakt worden, daar wordt je als gemeente ook beter van.’

Van de Veen: ‘Zeker voor kleine gemeenten: zoek samenwerking. Zo’n SIB is best ingewikkeld, het kost veel tijd en energie. Dus leer van elkaar. En maak er geen top-down ding van, maar probeer waar mogelijk de doelgroep erbij te betrekken. Dat zorgt voor draagkracht.’

Bosma: ‘Bedenk van tevoren of je de uitkomsten wil inpassen in het staande beleid. En zet op een SIB niet de ambtenaar die zich met de oude oplossing bezighield, die fungeert vaak als rem.’

Verwachten jullie in de toekomst steeds meer SIB’s te zien, of is het een hype die over een paar jaar weer voorbij is?
Van de Veen: ‘Een aantal partijen is de afgelopen jaren afgehaakt omdat gemeenten weer beter in de financiën zaten. Dat is door corona weer omgedraaid. Dat zou een nieuwe voedingsbodem voor SIB’s kunnen worden. Ik denk in ieder geval dat de brede trend van meer resultaatgericht beleid voeren, met meer focus op outcomes en impact, zich doorzet. Of dat in de vorm van SIB’s zal zijn, dat is moeilijk te zeggen.’

(bron :Binnenlands bestuur , 16 maart 2021 Adriaan de Jonge)

Stimulans maatschappelijk /sociaal ondernemerschap door kabinet: BVm zeer nabij!

De nieuwe status voor Nederlandse bedrijven die ondernemen met een sociaal of maatschappelijk doel, is een stap dichterbij. De ministerraad heeft ingestemd met de consultatie van staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat. Hiermee wil het kabinet maatschappelijk ondernemerschap beter organiseren en stimuleren.

Afgelopen zomer kondigde staatssecretaris Keijzer aan een aparte juridische vorm voor maatschappelijke ondernemers uit te zullen werken. Uit meerdere onderzoeken blijkt namelijk dat zij een gebrek aan erkenning en herkenning ervaren om optimaal hun doelen te behalen. Met de maatschappelijke BV, oftewel BVm, wil Keijzer de inmiddels meer dan 5000 Nederlandse ondernemers ondersteunen in het bereiken van hun maatschappelijke missie.

Staatssecretaris Keijzer: “De BVm zorgt voor een betere erkenning van, en daarmee waardering voor het maatschappelijk karakter van onze sociale ondernemers. Voor financiers, leveranciers en consumenten wordt het gemakkelijker om sociale en maatschappelijke ondernemingen te herkennen. En om vanuit deze gedeelde visie zaken te doen. Zo bouwen we samen aan een sociaal en eerlijk ondernemend Nederland.”

 

Met de BVm kunnen maatschappelijke ondernemingen zich straks duidelijk herkenbaar maken. Voor met name zakelijke relaties wordt daarmee duidelijk dat ze met een bedrijf te maken hebben dat maatschappelijke impact vooropstelt boven het uitkeren van winst aan aandeelhouders. De winst blijft voor een goed deel behouden voor het verder realiseren en uitbouwen van maatschappelijke impact.

De beoogde BVm-wet schept waarborgen voor de winstbestemming en verslaglegging over de maatschappelijke impact. Met deze opzet stimuleert het kabinet het maatschappelijk ondernemerschap met het behoud van een gelijk speelveld. Ondernemingen kunnen zelf kiezen of zij zich als BVm willen registreren.

De consultatie is een belangrijke concrete stap op weg naar het wetsvoorstel en gaat in de week van 8 maart voor een periode van tenminste zes weken in internetconsultatie.

Tijd voor de digitale sector om de betekenisgedreven economie aan te jagen

De behoefte aan een nieuwe welzijnseconomie groeit. Om ons heen neemt de druk toe om betekenisgedreven te werken in plaats van winstgedreven en om producten en diensten te ontwikkelen die een positieve impact hebben op samenleving en planeet. Aan digitale makers, bureaus en consultants de taak voor een katalyserend effect te zorgen, want de vrijblijvendheid is voorbij. Een utopie? Welnee.

In zijn jaarlijkse brief aan mede-CEO’s deed Laurence D. Fink onlangs een gedenkwaardige oproep. De bestuurder van ’s werelds grootste investeerder Blackrock gaf aan de strategie te verleggen en bedrijven met een duurzaamheidsrisico te vermijden. Hij moedigde anderen aan de eigen bedrijfsvoering eveneens tegen het licht te houden. “Het bewustzijn neemt snel toe.”

Betekenisvolle actie

Zijn schrijven is tekenend voor onze tijd. Zowel consumenten als werknemers nemen geen genoegen meer met loze ‘purpose’ marketing. Men wil actie. De pandemie heeft voor reflectie gezorgd en tegelijkertijd zijn thema’s als klimaatverandering, discriminatie en sociale ongelijkheid op de voorgrond gekomen. Niet voor niets stelt Joe Biden deze thema’s centraal tijdens zijn ambtsperiode. Het geloof in een markt die alles vanzelf herstelt en zorgt voor een juiste balans neemt af, zeker onder jongeren.

Bedrijven worden daarom aangesproken op hun betrokkenheid en handelen. Ze hebben te maken met een mondige generatie die behoefte heeft aan een welzijnseconomie die betekenisgedreven is: Producten en diensten moeten een positieve bijdrage leveren aan het welzijn van individuen, de mate van inclusiviteit in de samenleving en de duurzaamheid van het grotere ecosysteem.

Verantwoordelijkheid als succesfactor

Digitale bedrijven zijn hier niet van uitgezonderd. Natuurlijk ontstaan er discussies over de macht van ‘big tech’, hun polariserende werking en monopolievorming op het internet. Maar ook op het concretere niveau van bedrijven en producten uit de directe omgeving heeft de digitale ontwikkeling invloed. Door niet de verantwoordelijkheid te nemen voor de samenleving en de planeet, lopen ze het risico de reputatie, sales en loyaliteit van klanten en medewerkers te schaden.

Zoals collega Cecilia Scolaro het recent verwoordde: “Responsibility is the new customer experience”. In andere woorden: bedrijven die hun verantwoordelijkheden nemen zullen meer succes boeken dan met de focus op de klantervaring alleen.

Aanjagen met digital

In de transitie naar een betekenisgedreven economie is een grote rol weggelegd voor digitale makers, bureaus en consultants. Deze bedrijven werken steeds vaker in gelijkwaardige partnerships met klanten en hebben daarmee een directe invloed op wat als een goed en succesvol product wordt gezien. Hoewel het de ene keer om een compleet nieuw businessmodel draait en het soms over ‘slechts’ een touchpoint gaat, is er op ieder niveau verantwoordelijkheid te nemen en positieve impact te genereren.

Inclusie, welzijn, duurzaamheid

Nu gebruiksvriendelijkheid uitgroeit tot gemeengoed, raken thema’s als ‘accessibility’ – digitale toegankelijkheid – en inclusie in een stroomversnelling. Veel bedrijfsmodellen en diensten gaan nog altijd uit van ‘de doorsnee mens’ en houden onvoldoende rekening met de indirecte impact op de gemeenschap rondom gebruikers. Daarmee groeit de kloof tussen rijk en arm, tussen participerend en niet participerend alsmaar groter.

Om de inclusiviteit te verbeteren moeten bureaus en consultants tijdens de ontwikkeling al rekening houden met toegankelijkheidsprincipes zoals WCAG en progressive enhancement. Waarbij iedereen zich er hard voor maakt de kern van het product of de dienst voor een zo breed mogelijke groep bruikbaar te maken en de impact op kwetsbare groepen te identificeren en te minimaliseren. Dat vraagt er dus ook om deze groepen te betrekken in het designproces en tijdens gebruikersonderzoek.

Ook de thema’s welzijn en duurzaamheid zijn met digitale middelen positief te beïnvloeden. Door bijvoorbeeld de principes van ‘calm technology’ te omarmen of zo te ontwerpen dat de gebruiker een minimale hoeveelheid schermtijd nodig heeft. De user interface inzichtelijk laten maken welke klimaatimpact een keuze heeft, draagt ook bij aan gedragsverandering.

Tegelijkertijd kunnen de makers zelf kritisch kijken naar hun eigen ‘footprint’. De retailer OrganicBasics ontwikkelde bijvoorbeeld een manifesto en ‘low impact’-versie van de webshop om zo de Co2-uitstoot te verminderen. De winkel is op zo’n manier ontwikkeld dat deze zo weinig mogelijk energie verbruikt. Wie beseft dat slechts 11 procent van de bijna twee miljard energievragende websites actief is, gaat vanzelf scherper kijken naar de wens om daar nog een site aan toe te voegen. Zoals productontwerpers vaker rekening houden met de totale lifecycle en de circulariteit van een product, zo kunnen ook digitale designers hun mindset kantelen. Wanneer is een website ‘end-of-life’? En wat gebeurt er dan mee?

Meetbaar maken

Kantelen? Het klinkt complexer en utopischer dan de werkelijkheid laat zien. Wat je als bedrijf of betrokken adviseur nodig hebt, zijn de juiste doelstellingen en meting. What gets measured, gets done. Daarmee wordt een visie, de beoogde positieve impact of purpose namelijk een structureel onderdeel van de belangrijkste processen.

Wanneer welzijn verhogen één van de bedrijfsdoelstellingen is, kan het een eerste aanzet zijn de schermtijd in kaart te brengen. Daarop volgt dan een fase van reflectie: hoe noodzakelijk is het voor succes om gebruikers méér naar een scherm te laten kijken? Zijn er wellicht betere manieren van dienstverlening? En vindt een e-commercebedrijf het belangrijk duurzaamheid te bevorderen, dan kan een beetje meer digitale ‘frictie’ tegen impulsaankopen ook geen kwaad. Het vertaalt zich in meer bewuste en loyalere klanten.

Snelstart

Tot op heden domineren budgetten, deadlines en winst de dagelijkse gang van zaken. Het is dus de kunst om tot een genuanceerdere beoordeling te komen van wat succes betekent. Welke specifieke impact streeft een bedrijf nu eigenlijk met haar digitale middelen na?

Het is bij uitstek de grootste creatieve uitdaging van onze tijd om zo’n shift in denken te faciliteren. Gelukkig zijn er een groeiend aantal methoden om het streven naar positieve impact een snelstart te geven. Bedrijven die keiharde metrics opnemen, stellen vervolgens veilig dat het streven naar positieve impact wordt geïntegreerd in de bedrijfsprocessen. Alle digitale producten en diensten staan daarmee in het teken van die betekenisvolle doelstellingen en dragen zo bij aan een betere wereld. Bureaus, consultants en al hun ontwerpers en ontwikkelaars staan er nu nog niet bij stil, maar ze zijn in staat voor het katalyserende effect te zorgen. En zo een welzijnseconomie te creëren. Wie zal hierin vooroplopen?

(bron:Emerce- Lennart Overkamp – 10 februari 2021)

Leiden komt met sociaal programma voor jongeren en kwetsbaren

Het Leidse stadsbestuur introduceert een ‘social impact programma’. Daarin is aandacht voor de sociale gevolgen van de coronacrisis. Op deze manier moet er meer perspectief komen voor twee zwaar getroffen groepen: jongeren en kwetsbaren. Verder moet de algemene gezondheid worden verbeterd.

Dinsdagavond zei minister van Volksgezondheid Hugo de Jonge het al op de persconferentie: “We hebben te maken met een maatschappelijke crisis die steeds urgenter wordt. Steeds meer mensen ervaren stress en angst en steeds meer jongeren hebben psychische klachten.” Ook in Leiden is dat het geval en dus komt verantwoordelijk wethouder Marleen Damen (PvdA) met een speciaal programma voor de mentale gezondheid.

Het programma moet nog worden uitgewerkt en heel concreet is het nog niet. Wel noemt wethouder Damen specifiek het digitale jongerenplatform De Leidse Burcht. “We zijn met partijen in gesprek of we daar meer activiteiten op kunnen krijgen”, zegt ze. Ook als de coronacrisis voorbij is. “De Leidse Burcht is wat mij betreft een blijvertje.”

Koningin Máxima bij webinar over impact coronacrisis op mkb en schuldenproblematiek

Hare Majesteit Koningin Máxima was donderdagmiddag 21 januari virtueel aanwezig bij het webinar ‘Samen Sterk voor een schuldenzorgvrij ondernemend Nederland’. Vanuit het ADO stadion in Den Haag wordt gesproken over het recente onderzoek van Deloitte naar de impact van de coronacrisis op het mkb en toenemende schuldenproblematiek. Met name zelfstandigen zonder personeel (ZZP) zijn kwetsbaar. Het onderzoek is gedaan in opdracht van SchuldenlabNL, het Verbond van Verzekeraars (VvV)en de Nederlandse Vereniging van Banken (NVB).

Bundelen

Eén van de belangrijkste uitkomsten is het versnipperde hulpaanbod aan ondernemers. Naast het financiële steunpakket van het kabinet, zijn er veel niet-financiële hulpinitiatieven om ondernemers tijdens de coronacrisis bij te staan. Het is belangrijk om deze initiatieven goed op elkaar af te stemmen, zodat de ondernemers makkelijker hun weg vinden naar een voor hen geschikte regeling of oplossing. Bundeling van de initiatieven en maatwerk kan hierbij ook helpen. In het rapport wordt een routekaart voorgesteld, het ‘COVID-19 Actieplan voor het het mkb’. Ondernemers die door de coronacrisis in problemen komen, moeten met de belangrijkste stakeholders gaan samenwerken zodat financiële problemen in een zo vroeg mogelijk stadium ondervangen kunnen worden. De focus ligt hierbij op ZZP’ers. Deze zijn het meest kwetsbaar en doen in een probleemsituatie met name een beroep op ondersteuning vanuit gemeenten.

Webinar

Koningin Máxima volgt in het eerste deel van het webinar een gesprek met de voorzitters van het VvV, NVB en MKB Nederland. Zij spreken over hoe publieke en private partners gezamenlijk kunnen optrekken om ondernemers met problemen zo vroeg en efficiënt mogelijk te kunnen helpen. Aansluitend is er een gesprek met de gemeente Lelystad, een franchise ondernemer en een ZZP’er over hun ervaringen met gemeentelijke ondersteuning. Ook zijn er korte pitches van maatschappelijke hulpinitiatieven aan ondernemers. Het laatste deel van de webinar was een gesprek gaat over hoe gemeenten ondernemers met financiële problemen kunnen ondersteunen.

Koningin Máxima is lid van het Nederlands Comité voor Ondernemerschap en vraagt daarnaast aandacht voor de inspanningen van SchuldenlabNL om Nederland schuldenzorgvrij te maken.

(bron :Regio On line 21 januari 2021)