Berichten

Week zonder Afval: verminder, hergebruik of repareer!

Op maandag 31 mei de aftrap van de Week zonder Afval n, een initiatief van Milieucentraal waarin consumentenbewustwording over afval en de circulaire economie centraal staat. Tijdens de openingswebinar stonden verschillende sprekers onder meer stil bij ontwikkelingen die we de komende jaren kunnen verwachten.

De Week zonder Afval werd afgetrapt met een webinar geopend door demissionair staatssecretaris Stientje van Veldhoven. “Het lineaire economisch systeem dat we nu hebben is onhoudbaar. Grondstoffen raken op of worden duurder, terwijl de afvalberg blijft groeien. Maar gekoppeld kunnen deze twee problemen ook een oplossing zijn.”

Brede benadering circulariteit

In de webinar werd meermaals onderstreep dat de circulaire economie meer is dan alleen recycling. “Recycling is eigenlijk de laatste stap”, vertelde Anne-Marie Rakhorst, voorzitter van de transitieagenda consumentengoederen. “Als consument kun je in eerste instantie weigeren een product te kopen, een oud product hergebruiken, repareren of ombouwen tot iets anders. Dit zijn allemaal keuzemomenten die ook onderdeel zijn van de circulaire economie.”

Ambachtscentra

Een interessant initiatief dat Rakhorst aangekondigde zijn zogeheten ‘ambachtscentra’, als alternatief op milieustraten in gemeenten. Een ambachtscentrum is een plek waar je als consument je afgedankte spullen naartoe brengt. Op dit terrein staat dan bijvoorbeeld een kringloopwinkel, een elektronica- of kledingreparateur of grofvuilverwerker. Bij aankomst wordt door experts bepaald wat de beste bestemming is voor de afgeleverde spullen, zodat grondstoffen optimaal benut kunnen worden.

Voor modeketens veranderen over een aantal jaar de regels waardoor producenten zelf verantwoordelijk worden voor inzameling, recycling en hergebruik van textiel.

Meer wetgeving wegwerpplastic

Ook besteedde het ministerie van IenW aandacht aan de nieuwe Europese richtlijn voor single-use-plastic (SUP) die per 3 juli ingaat. De richtlijn is opgesteld om de vervuiling van de meest voorkomende gevonden plasticproducten te verminderen. Zo geldt per 3 juli een handelsverbod op plastic wegwerpborden en bestek en krijgen verpakkingen als drinkbekers en sigaretten een embleem dat ze kunststof bevatten en niet in de natuur thuishoren.

Ook geldt vanaf 2025 dat plasticproducten gerecycled materiaal moeten bevatten en is vanaf 2024 de flessendop verbonden aan de plastic fles zelf. Specifiek voor Nederland geldt dat nog dit jaar een uitgebreid statiegeldprogramma wordt opgezet voor plastic flessen, waarmee ook kleine flesjes ingeleverd kunnen worden.

Nederland wacht nog een flinke uitdaging als het de recyclingdoelstellingen voor verpakkingen wil halen. Minder dan een derde is op dit moment goed recyclebaar.

Week zonder Afval

Verder stond de hele week in het teken van het verminderen van afval. Er konden  afvalbesparingstips gedeeldkomen mensen in podcasts aan het woord met innovatieve ideeën en organiseerde Milieucentraal Zero Waste Wandeltours waarin deelnemers verpakkingsvrij hun boodschappen kunnen doen.

Laten we hopen dat deze week ons nog bewuster heeft gemaakt van het verminderen van afval en we er gewoon mee door gaan!

(bron; Change Inc. Teun Schroder – 31 mei 201)

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen zitten in het slop door corona

Terwijl ik denk dat we de transitie versnelling in de rug hebben en er juist aandacht is om te werken aan een betekenisvolle economie, triggert deze kop me. De verwoestende effecten van Covid-19 maken ons wellicht wel bewust van de noodzaak, het bereiken daarvan blijkt moeilijker in deze tijden.

De Duurzame Ontwikkelingsdoelen (sdg’s) bereiken in 2030 is zo goed als onmogelijk, dat maakt het verwoestende effect van COVID-19 duidelijk.’ Dat stelt professor Internationale communicatie’ en Communicatie voor sociale verandering Jan Servaes in deze opinie.

Zitten de Duurzame Ontwikkelingsdoelen in het slop door de huidige pandemie? Het korte antwoord is: ja, maar de mot zat er al lang in.

Dit debat begon al voor 2015, het jaar waarin de Duurzame Ontwikkelingsdoelen (of Sustainable Development Goals, sdg’s) werden aangenomen als opvolger van de in 2000 overeengekomen Millennium Ontwikkelingsdoelen of mdg’s. De acht Millenniumdoelen werden uitgebreid tot zeventien gigantische doelen en 169 streefcijfers.

Aan de hand van projecties van internationale organisaties als de Wereldbank, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), kwantificeerde het Britse Overseas Development Institute (ODI) in 2015 al hoeveel de wereld de huidige trends zou moeten versnellen om de sdg’s in 2030 te bereiken.

Slechts 3 van de 17 sdg’s lagen in 2015 op schema om een aanvaardbaar resultaat te bereiken tegen 2030.

Onmogelijk tegen 2030

Met het verwoestende effect van COVID-19 in bijna elke sector van de wereldeconomie is het duidelijk dat het bereiken van de sdg’s in 2030 zo goed als onmogelijk wordt. Het aanpakken van ontwikkelingsdoelstellingen door natiestaten is bovendien moeilijker dan werd erkend door de opstellers van de 2030-agenda voor ontwikkeling.

‘Economen die ontwikkelingsbeleid ontwerpen hebben geen voeling met de realiteit van gewone mensen.’

Een studie van Lin en Monga uit 2017 concludeerde bijvoorbeeld dat tussen 1950 en 2008 het slechts 28 landen lukte om hun achterstand op de Verenigde Staten met 10 procent of meer te verkleinen. Het gaat hier om een periode van 58 jaar, terwijl de 2030-agenda binnen 15 jaar moet worden gerealiseerd. Van de 28 landen die Lin en Monga noemen, waren er slechts 12 niet-Europees of een niet-olie-economie.
Volgens Lin en Monga kan de uitdaging om de economie van ontwikkelingslanden te vernieuwen niet los gezien worden van enkele intellectuele en beleidsfouten die zijn opgelegd door de Washington-consensus in de jaren ‘70 tot ‘90. Deze jaren worden beschreven als het verloren decennium voor ontwikkelingslanden.

Banerjee en Duflo, die de Nobelprijs voor de Economie van 2019 deelden voor hun werk op het gebied van armoedebestrijding, benadrukten in datzelfde jaar dat economen die ontwikkelingsbeleid ontwerpen geen voeling hebben met de realiteit van gewone mensen.

In een meer recente analyse, gepubliceerd in het gezaghebbende tijdschrift World Development, vragen ook Moyer en Hedden zich af hoe haalbaar de sdg’s zijn onder de huidige omstandigheden. Ze belichten moeilijkheden voor sommige sdg-indicatoren (toegang tot veilige sanitaire voorzieningen, voltooiing van de middelbare school, en kinderen met ondergewicht) die niet zullen worden opgelost zonder een significante verschuiving in binnenlands en internationaal hulpbeleid en prioriteiten.

Daarnaast noemen Moyer en Hedden 28 bijzonder kwetsbare landen die naar verwachting geen van de negen streefwaarden voor menselijke ontwikkeling zullen halen. Deze meest kwetsbare landen zouden op internationale hulp en dus financiële steun moeten kunnen rekenen.

Financiering

De verwezenlijking van de 2030-agenda kan alleen worden bereikt als drie factoren goed zitten.

De eerste factor is financiering. Hoewel elk land zijn eigen prioriteiten heeft, blijft het betalen van de rekeningen voor de sdg’s een penibel dossier. De Asia-Europe Foundation berekende dat ‘de totale investeringskosten om de sdg’s tegen 2030 te bereiken tussen 5000 en 7000 miljard dollar per jaar op mondiaal niveau en tussen een totaal van 3300 en 4500 miljard dollar per jaar in ontwikkelingslanden’ bedragen. Dit betekent volgens de Asia-Europe Foundation ‘een gemiddelde investeringsbehoefte van 2500 miljard dollar per jaar in de ontwikkelingslanden’. Deze landen zouden volgens de organisatie hun eigen ramingen moeten opstellen ‘om een beter inzicht te krijgen in de reële financiële behoeften van de sdg’s’.

Een aanzienlijke inspanning moet worden geleverd via de particuliere sector en door filantropen.

Een aanzienlijke inspanning moet worden geleverd via de particuliere sector en door filantropen. Terwijl regeringen en gewone mensen hard zijn getroffen door de gezondheids- en economische impact van COVID-19, was de pandemie in zekere zin goed nieuws voor miljardairs, van wie velen hun rijkdom astronomisch hebben zien toenemen.

Uit een rapport van het in Washington gevestigde Institute of Policy Studies blijkt dat Amerikaanse miljardairs hun rijkdom tussen maart en november 2020 met 1000 milard dollar hebben zien groeien. Uit het rapport blijkt ook dat het vermogen van Jeff Bezos, de eigenaar van Amazon, tussen maart en november 2020 met 61 procent toenam, van 113 miljard dollar naar 182,4 miljard dollar.

Het rapport voegde daaraan toe dat er slechts drie jaar geleden nog geen enkele multimiljardair was, een persoon met een nettowaarde van meer dan 100 miljard dollar. Sinds november 2020, het hoogtepunt van de pandemie, zijn er minstens vijf: Jeff Bezos van Amazon, Bernard Arnault van Louis Vuitton, Bill Gates van Microsoft, Mark Zuckerberg van Facebook en Elon Musk van Tesla. Deze multimiljardairs, samen met de meer dan tweeduizend miljardairs wereldwijd, zijn rijk genoeg om substantiële vooruitgang te helpen boeken in sommige van de sdg’s.

Politieke wil

De tweede belangrijke factor die kan helpen om de sdg’s te bereiken is politieke wil. Veel landen hebben ambitieuze nationale ontwikkelingsplannen opgesteld die er op papier fantastisch uitzien. Maar hoeveel van die plannen worden uiteindelijk verwezenlijkt? Wanneer men ziet dat het wel en wee van een land met succes is veranderd door de effectieve uitvoering van nationale plannen, kan men die verwezenlijkingen niet los zien van de sterke politieke wil van de leiders. Het voorbeeld van China spreekt voor zich .

De cruciale vraag die moet worden gesteld is of die politieke wil er overal is. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Antonio Gutierres, gaf vorig jaar het antwoord naar aanleiding van een tussentijdse evaluatie van de Duurzame Ontwikkelingsdoelen: ‘Het is onvermijdelijk dat één cruciaal ingrediënt nog ontbreekt. Politieke wil. Zonder politieke wil zullen noch de publieke opinie, noch de belanghebbenden voldoende actie ondernemen’.
Hier ligt de uitdaging om de sdg’s te verwezenlijken.

Communicatie

De derde factor is de noodzaak van een robuuste communicatie voor ontwikkeling en sociale verandering, zodat de politieke wil kan worden overgebracht op alle belanghebbenden.

Leiders die inspireren tot verandering doen dat met de communicatiemiddelen die voorhanden zijn. Terwijl het digitale tijdperk sociale systemen verstoort en transformaties stimuleert op een ongeëvenaarde schaal en aan een ongezien tempo blijven de sdg’s vrij stil over het onderwerp.

Vandaag bepalen digitale technologieën wat we lezen en consumeren, hoe we stemmen en hoe we omgaan met elkaar en de wereld om ons heen. Er duiken veel risico’s en onzekerheden op, waaronder bedreigingen voor individuele rechten, sociale rechtvaardigheid en democratie, allemaal versterkt door ‘de digitale kloof’ — de verschillende snelheid van internetpenetratie en toegang tot digitale technologieën over de hele wereld.

Geen van de sdg’s kan worden bereikt tenzij mensen in staat zijn hun dromen, zorgen en behoeften te communiceren — lokaal, nationaal, regionaal, wereldwijd. Het is tijd voor een nieuwe doelstelling: sdg 18 of communicatie voor iedereen.

Communicatie voor sociale verandering moet in het tijdperk van COVID-19 ook rekening houden met de uitdaging van verkeerde informatie bij het initiëren van communicatiestrategieën. Daarom zijn de communicatiestrategieën van de Wereldbank, UNICEF of WHO niet alomvattend genoeg.

Ten eerste hebben zij geen rekening gehouden met de uitdagingen die volgen uit een infodemie en de massale productie van nepnieuws bij de aanpak van de pandemie. De tweede tekortkoming is dat de strategieën weinig wetenschappelijke communicatie bevatten om het publiek bewust te maken van de manier waarop gezondheidsdeskundigen beslissingen nemen en het publiek adviseren over haar veiligheid.

Om al deze redenen moeten de Verenigde Naties en de rest van de internationale gemeenschap realistisch zijn en de 2030-agenda voor ontwikkeling herzien door de tijdlijn te verschuiven van 2030 naar 2050. Sommige regionale organisaties, zoals de Afrikaanse Unie, hebben de datum voor de verwezenlijking van hun ontwikkelingsdoelstellingen al vastgesteld op 2063.

De sdg’s moeten prioriteit krijgen met sdg1 (het uitbannen van extreme armoede) als belangrijkste doelstelling voor de komende tien jaar. Het uitbannen van extreme armoede zal waarschijnlijk gevolgen hebben voor andere sdg’s, met name sdg’s 2,3,4,5 en 6.

De inspanningen om extreme armoede uit te roeien mogen niet gebaseerd zijn op slogans, maar moeten door regeringen, financieringsinstellingen, donoren en filantropen worden gezien als de beste kans om de mensheid te redden. De intellectuele fouten en beleidsvoorschriften die aan lage- en middeninkomenslanden worden opgelegd en die hen verder in de afgrond van onderontwikkeling storten, moeten vermeden worden.

Door het tijdschema voor de verwezenlijking van de sdg’s op 2050 te stellen, zal er voldoende tijd zijn om de tot dusver geboekte vooruitgang opnieuw te evalueren, de doelstellingen aan te vullen en het verloren terrein door de verwoestende impact van COVID-19 terug te winnen. Het zal de wereldgemeenschap ook voldoende tijd geven een strategie uit te stippelen over hoe moet worden omgegaan met de mogelijke verdere opkomst van rechtse, populistische en nationalistische regeringen die beperkingen kunnen opleggen aan de sdg’s door hun minachting voor multilateralisme.

Daarnaast moeten er ook van tevoren plannen worden gemaakt om de schade te beperken: de schade van eventuele volgende rampen, die de verwezenlijking van de sdg’s zouden kunnen schaden.

(bron – Mondiaal nieuws BE, april 2021 Jan Servaes)

Hoe impactgericht werken goede doelenorganisaties eigenlijk ?

Het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF) stelt ieder jaar aan alle Erkende Goede Doelen reflectievragen. In 2019 ging dat over impact, wat resulteerde in de publicatie ‘Een Vuist voor Impact’, met vijf vragen om impactmanagement te beoordelen. In samenwerking met Impact Centre Erasmus  zette voor de toezichthouder de belangrijkste uitdagingen op het gebied van impactmanagement op een rijtje.

Een Vuist voor Impact

Een Vuist voor Impact gaat over de vraag ‘hoe impactgericht goede doelenorganisaties eigenlijk werken’. De hoofdvraag die daarbij gesteld wordt luidt: ‘doe je als organisatie de goede dingen?’ Doel van de publicatie is aanzet geven tot zelfreflectie en verdere actie. Het rapport is een verslaggeving van onderzoek naar impact onder de leden van het CBF met handige tips en adviezen van het Impact Centre Erasmus met verwijzingen naar meer verdieping. Dat alles bondig samengebracht in ‘een handvol vragen, die, met een sluitend antwoord op alle vragen, een vuist vormen; een vuist met impact’.

Vraag 1: Waarom doe ik wat ik doe?
Het rapport stelt dat goede doelenorganisaties aan een bepaald maatschappelijk vraagstuk werken en daaraan een waardevolle bijdrage willen leveren. Daarbij hopen de organisaties dat hun activiteiten bijdragen aan een bepaalde verbetering. Het rapport toont daarvoor een handig model aan de hand van de verandertheorie: ‘de denkstappen die gemaakt moeten worden van activiteiten naar de uiteindelijk beoogde verbetering’. Het CBF wijst daarbij de weg via input naar activiteiten naar outputoutcome en impact. De verandertheorie zou uiteindelijk antwoord moeten geven op de vraag: waarom doe ik wat ik doe?

Vraag 2: Hoe weet ik dat wat ik doe ook werkt?
Bij de tweede vraag draait het om de aannames die gedaan worden tijdens het analyseren van de verandertheorie en het vervolgens kritisch onderzoeken van die aannames. Volgens het CBF doet een betrouwbaar verhaal het goed in fondsenwerving, maar vraagt de gever steeds meer om een bewezen aanpak. CBF: ‘Door aannames expliciet te maken en te onderzoeken kunnen aantoonbare resultaten gevonden worden. Maar pas op voor ‘grote stappen, snel thuis’. Maak de denkstappen niet te groot en besteed aandacht aan de tussenstappen. Aannames laten zien namelijk zien waar de risico’s en onzekerheden zitten.’

Vraag 3: Is dit het beste wat ik kan doen?
Er is nooit één manier om verandering teweeg te brengen; er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden. Het CBF kaart bij deze vraag aan dat het verleidelijk kan zijn voor organisaties om te kiezen voor een welbekende, vaak toegepaste aanpak. Om dat te voorkomen staan er in het rapport een paar kritische vragen: ‘Op basis waarvan kies je wat je gaat doen? Zijn er verschillende oplossingen overwogen? Wat zou hier het beste werken? En ben jij als organisatie degene die dat het beste kan?’ Om verschillende oplossingen af te wegen biedt het CBF een handig ezelsbruggetje, een ABC: Alternatief – Behoefte – Context. De vraag die je je als organisatie kan stellen, luidt: is deze aanpak het beste alternatief, gezien de behoefte en de context? Om van daaruit te bepalen welke rol het beste bij de organisatie past.

Regel 4: Wat is het effect dat ik zie?
‘Impact gaat over het langetermijneffect van activiteiten.’ Het CBF wijst daarbij op het belang van een nulmeting, een controlegroep en bovenal geduld. Daarbij maakt het CBF een verschil tussen impact weten en impact meten benoemd. De toezichthouder hecht er meer belang aan dat organisaties hun impact kritisch bekijken dan dat er wordt aangetoond hoeveel impact er precies wordt gemaakt. Het gaat hier dus om zelfreflectie: het CBF stimuleert organisaties zo om na te denken over wat meer en wat minder effectief is.

Regel 5: Wat draag ik bij aan een betere wereld?

Met de laatste vraag maakt het rapport ‘de cirkel weer rond naar het ideaal dat een organisatie wil verwezenlijken’. Hierbij gaat het om ‘de gezamenlijke impact van de sector te verantwoorden’. De definitie van een betere wereld is op wereldschaal afgestemd binnen de Verenigde Naties in de zeventien Sustainable Development Goals (SDG’s). Het CBF moedigt de sector aan om aansluiting te zoeken binnen het grootste deel van deze SDG’s. ‘Wie bijdraagt aan een betere wereld moet toch kunnen aangeven op welk vlak hij dan verschil maakt’, stelt het CBF.  ‘Alle goeded oelenorganisaties, als verwenzelijkers van een betere wereld, zouden moeten nagaan hoe hun impactverhaal aansluit op de SDG’s.’

(bron- De Dikke Blauwe – maart 2021)

Bron: CBF
Download hier het volledige rapport “Een vuist voor impact”

Social Impact Bonds- Hype of duurzame Win-Win?!

Steeds meer gemeenten gaan met private geldschieters in zee om nieuwe aanpakken voor lastige maatschappelijke problemen te vinden. Dat kan werken als een vliegwiel voor innovatie en efficiëntie. Maar dan moet het wel meer zijn dan alleen een bezuinigingsmaatregel, schrijven Menno Bosma en Hans van de Veen in hun boek over Social Impact Bonds.

Innovaties
In Social Impact Bonds (SIB’s) worden publieke doelen verenigd met privaat kapitaal. Zo investeerden maatschappelijke fondsen, banken en (zorg)verzekeraars de afgelopen jaren in innovaties om mensen in de bijstand naar werk te begeleiden, de schulden van multiprobleemgezinnen op te lossen en statushouders te helpen in te burgeren. Het idee is: er wordt een nieuwe aanpak getest waarmee de gemeente mogelijk geld kan besparen. Als het lukt om het doel te bereiken, deelt de geldschieter mee in de winst.

Belangstelling
Het klinkt aantrekkelijk. Een succesvolle Social Impact Bond levert winst op voor de inwoners (een maatschappelijk probleem wordt opgelost) én voor de gemeentekas (een duur probleem wordt goedkoper). Bovendien: eventuele verliezen komen op conto van de investeerder en gaan dus niet ten koste van publieke middelen. In tijden van krappe budgetten en grote maatschappelijke opgaven wordt de formule steeds aanlokkelijker. Na een opmars van het fenomeen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten, groeit de belangstelling ook in Nederland. We staan zelfs al op nummer drie op de wereldranglijst wat betreft het gebruik van SIB’s.

Bezuiniging
Toch moeten gemeenten uitkijken, zeggen Menno Bosma en Hans van de Veen, die onlangs het boek ‘De belofte van de Social Impact Bond’ uitbrachten. Ja, een SIB kan win-win-win zijn, met maatschappelijke innovatie, besparing op gemeenschapsgeld en zelfs een mooi commercieel rendement als resultaat. Maar als het financiële gewin de overhand krijgt, kan dat ten koste gaan van de maatschappelijke doelstellingen. Een SIB moet dus meer zijn dan een investeringsinstrument of een bezuinigingsmaatregel.

Waarom moest er een boek komen over SIB’s?
Menno Bosma: ‘De laatste jaren is het onderwerp redelijk booming in bepaalde kringen. Maar je ziet ook dat het een in-crowd verschijnsel is. Onder het grotere publiek is het nog steeds niet heel bekend. Daarom is er weinig discussie over. Dat komt ook omdat er weinig informatie over beschikbaar is. Die informatie ligt vaak alleen bij college van B en W, niet bij gemeenteraad. Er heerst veel koudwatervrees op dat gebied. Wij vinden dat het politiek debat ontbreekt over de voorwaarden waaronder je dit doet. Je kunt in SIB’s een soort losgeslagen instrument van privatisering zien, of een nuttige verrijking van het sociaal domein. Dat debat moet gevoerd worden.’

Zijn jullie uiteindelijk voor- of tegenstanders van de SIB?
Bosma: ‘We kwamen tijdens het schrijven zoveel goede voorbeelden tegen, dat we van sceptici tot gematigde voorstanders zijn geworden. Maar we zijn wel kritisch over de manier waarop het nu in Nederland wordt toegepast. Wat we zien is dat het vooral eenzijdig als kostenbesparingsinstrument wordt gebruikt, en dat beproefde aanpakken steeds herhaald worden. Steeds met maar één uitvoerder, die maar één methode toepast. Op die manier vindt er weinig innovatie plaats.’

Hans van de Veen: ‘Daarom is er behoefte aan meer transparantie en meer onderzoek. Veel SIB’s beginnen bijvoorbeeld zonder nulmeting. Dan worden er veel te weinig lessen geleerd.’

In een SIB moet geld verdienen samengaan met het verbeteren van het welzijn van mensen. Is er niet een inherente frictie tussen die twee doelen?
Bosma: ‘Wat je ziet is dat de impuls om geld te verdienen vaak zo sterk is, dat er nauwelijks welzijnsdoelstellingen gekozen worden. Men kiest bijvoorbeeld voor werktoeleiding: het laaghangende fruit, wat vrij makkelijk te realiseren is. De methoden zijn vaak niet bijster vernieuwend. Het ging, zeker bij de eerste SIB’s, niet zozeer om het welzijn van deelnemers, maar het ging er vooral om dat mensen zo snel mogelijk uit de bijstand gemieterd konden worden.’

Van de Veen: ‘Maar ons voorzichtig positieve eindoordeel is er ook op gebaseerd dat we de ontwikkeling richting meer maatschappelijke doelstellingen wel zien.’

Kunnen jullie verklaren waarom Nederland de op-twee-na grootste gebruiker van SIB’s is?
Van de Veen: ‘Dat hebben wij ons ook afgevraagd, waarom het nu opkomt, en waarom in Nederland. We denken dat het net op het goede moment arriveerde. Een jaar of zeven geleden. Overheden hadden weinig geld vanwege de financiële crisis, met de decentralisering kregen de gemeenten allerlei nieuwe sociale taken. En dan roept een creatieve ambtenaar: laten we dit eens proberen.’

Wat moet je als gemeente vooral wel en niet doen als je met SIB’s aan de slag wil?
Bosma: ‘Laat je de kaas niet van het brood eten door de investeerder. Bedenk zelf goed wat je wil. Ga ook niet meteen uit van één soort oplossing, maar laat de mogelijkheid open voor meerdere methoden. En: transparantie. Zorg dat resultaten openbaar gemaakt worden, daar wordt je als gemeente ook beter van.’

Van de Veen: ‘Zeker voor kleine gemeenten: zoek samenwerking. Zo’n SIB is best ingewikkeld, het kost veel tijd en energie. Dus leer van elkaar. En maak er geen top-down ding van, maar probeer waar mogelijk de doelgroep erbij te betrekken. Dat zorgt voor draagkracht.’

Bosma: ‘Bedenk van tevoren of je de uitkomsten wil inpassen in het staande beleid. En zet op een SIB niet de ambtenaar die zich met de oude oplossing bezighield, die fungeert vaak als rem.’

Verwachten jullie in de toekomst steeds meer SIB’s te zien, of is het een hype die over een paar jaar weer voorbij is?
Van de Veen: ‘Een aantal partijen is de afgelopen jaren afgehaakt omdat gemeenten weer beter in de financiën zaten. Dat is door corona weer omgedraaid. Dat zou een nieuwe voedingsbodem voor SIB’s kunnen worden. Ik denk in ieder geval dat de brede trend van meer resultaatgericht beleid voeren, met meer focus op outcomes en impact, zich doorzet. Of dat in de vorm van SIB’s zal zijn, dat is moeilijk te zeggen.’

(bron :Binnenlands bestuur , 16 maart 2021 Adriaan de Jonge)

Ter Inspiratie: LiEF, het vervolg op LEF! Verhalen over impact ondernemers

LiEF: het duurzame vervolg op bestseller LEF. Wat maakt sommige impactondernemers succesvoller dan andere? Hoe verenigen topondernemers als Jaap Korteweg (De Vegetarische Slager), Merijn Everaarts (Dopper), Maurits Groen (WakaWaka, Kipster) en Henk-Jan Beltman (Tony’s Chocolonely) groen en poen in hun bedrijf? Mandy Kraakman en Dennis Mensink (beiden Mediatic) voelden bijna dertig ondernemers aan de tand en stuitten op mooie verhalen én inzichten.

Een van de verhalen is die van Alex Clement van WAAR.

Alec Clement was al jaren betrokken bij het winkelconcept van de Wereldwinkel toen hij in 2012 WAAR oprichtte. Inmiddels zijn er 25 winkels in Nederland, en wil Clement op korte termijn uitbreiden naar vijftig locaties voor zijn duurzame cadeauwinkel.

Als ik een ultiem doel moet noemen, zou het wel zijn dat iedereen onze manier van werken zal overnemen. Ik geloof namelijk niet in concurrentie. Ik geloof in samenwerken.

Lees zijn interview in De Ondernemer. Over de kracht van het duurzame WAAR, financieren en de nieuwe vorm van marketing. Over impact maken en het belang van groei daarbij.

Je kunt nu eenmaal meer impact maken als je in volume toeneemt.  Ik geloof in samenwerken. Ik juich het alleen maar toe als andere ketens dezelfde aanpak zullen aanhangen als wij. Samen kunnen we meer impact maken.

En LiEF kan je bestellen bij Mediamatic. Leuk als relatiegeschenk! Of gewoon als cadeautje voor jezelf

Ps. LiEF is gedrukt op Nederlands olifantsgras. Duurzamer wordt het niet…

 

Impact investing in tijden van corona

‘Het sentiment is dat bedrijven die zich richten op een positieve impact op de maatschappij, de winnaars van de toekomst zullen zijn’, zo vertelde Hanna Zwietering van het ABN AMRO Social Impact Fund tijdens het Webinar van Social Finance NL over impact investing in tijden van Corona. Dit werd bevestigd door de cijfers van pensioenfonds PGGM, waarbij te zien is dat investeringen in beursgenoteerde ondernemingen die zich naast profit ook sterk focussen op people en planet, het beter deden dan de gemiddelde beursgenoteerde onderneming. In dit verslag delen we de belangrijkste inzichten en conclusies uit het Webinar.

Ondersteuning in tijden van Corona
Dat de coronacrisis iedereen treft, is geen verrassing. Wel is terug te zien dat overheden de economie ondersteunen met grote pakketten, maar hierin ontbreekt de aandacht voor sociale en duurzame initiatieven, zo geeft Björn Vennema van Social Finance NL aan. Tegelijkertijd staan private initiatieven en collectieven wereldwijd op. Zo is er op Covidcap, een online resourcehub met meer dan 500 aangesloten initiatieven, een wereldwijd overzicht van initiatieven dat optelt tot ruim $1 miljard. Ook in Nederland zien we bij verschillende organisaties, zoals het Oranje Fonds, een krachtige respons

DOEN Participaties 
DOEN Participaties heeft een ondersteuningsfaciliteit opgezet om de partijen waarin zij investeert snel te kunnen ondersteunen met hun financieringsvraagstukken. Daarbij is niet alleen het overeind houden van bedrijven van belang, maar geeft Michelle de Rijk aan dat DOEN wat de gevolgen zijn voor klanten en eindgebruikers. Vooral in India en Oost-Afrika waar DOEN actief is zijn deze klanten enorm afhankelijk van de prodcuten van hun investees. Worden er bijvoorbeeld niet opeens mensen afgesloten van energie, of andere levensbehoeften?

ABN AMRO Social Impact Fund
Dat de coronacrisis tot maatregelen noopt, onderschrijft ook Hanna Zwietering. Vanuit het ABN AMRO Social Impact Fund (AASIF) werkt ze veel samen met sociaal ondernemers, en dat vraagt om maatwerk. Veel van hun klanten ervaren door de coronacrisis andere obstakels, maar toch is nu ook al te zien dat ondernemingen die zich focussen op trends als duurzaam en/of lokaal geproduceerd voedsel, zoals lokaal geproduceerde voedselboxen, het nu erg goed doen.

PGGM
Dit sluit aan bij het verhaal van Dirk-Jan Verzuu van PGGM, die zich als institutionele belegger juist focust op beursgenoteerde ondernemingen. Zijn verklaring voor de relatief goede prestaties van bedrijven met een sterke focus op impact is gelegen in het feit dat er wordt aangesloten bij de lange termijngroeitrends. Deze blijven, ondanks de crisis, toch overeind staan. Voor PGGM betekent dat onder meer investeren in bedrijven die zich focussen op klimaat, gezondheid, voedselzekerheid en waterschaarste.

Gaan impact en winst hand in hand?
De paneldiscussie gaat daarna onder meer in op de vraag hoe impact en winst zich tot elkaar verhouden, en of het een niet ten koste gaat van het ander. Dirk-Jan geeft aan dat voor PGGM geldt dat ze een fiduciaire plicht hebben, wat betekent dat ze een goed rendement moeten behalen voor hun deelnemers. Daarom is het niet mogelijk om te beleggen in ondernemingen die geen winst maken, maar wel veel impact hebben. Maar in veel gevallen kunnen impact en winst heel goed hand in hand gaan benadrukt hij. Er is dus niet altijd sprake van een uitruil. Michelle vult aan dat een belangrijke variabele ook tijd is. Op korte termijn kan er misschien wel een uitruil zijn tussen winst en impact, maar op de lange termijn wint een bedrijf met een goed business model. Impact is daar een onderdeel van.
Bij het AASIF wordt daarom juist in toenemende mate ook geïntegreerd gerapporteerd, waarbij ook de sociale en maatschappelijke kosten en baten worden gemonetariseerd en meegenomen in de winstberekening. Op die manier wordt de daadwerkelijke impact zichtbaar. Dat brengt de discussie op een ander onderwerp; hoe kun je betrouwbaar impact meten?

Impact meten
Dat was een van de onderwerpen waar ook Sir Ronald Cohen, een van de grondleggers van impact investing, een belangrijke bijdrage aan leverde. Zijn pleidooi was dat vooral overheden een belangrijke rol hierin hebben, om de kaders te stellen over hoe impact gemeten moet worden. Want alleen als je het over hetzelfde hebt, kun je producten en prijzen vergelijken. Op basis van de true price. Hierbij trok hij een belangrijke parallel met de beurscrash in 1929. Na de crash zijn er, mede op initiatief van investeerders, vanuit de overheid regels en richtlijnen gekomen over accounting. Er is nu een kans om een standaard te ontwikkelen voor het rapporteren van sociale en ecologische kosten en baten van producten en bedrijven. Want het wordt niet altijd alleen gedaan omdat het niet geaccepteerd is, maar vooral omdat er geen standaard is.

Op naar impact capitalism
Zowel de panelleden als de deelnemers waren het erover eens: de coronacrisis biedt vooral kansen voor impact investing om een vlucht te nemen. Een belangrijke stap zit in het inbouwen van de standaarden in accounting voor sociale en ecologische impact. De coronacrisis lijkt daar de uitgelezen aanleiding voor. We kunnen nu een economie ontwikkelen die de stap maakt van, zoals Sir Ronald Cohen verwoordde: “selfish capitalism to impact capitalism.” 

(bron De Dikke Blauwe – 20 mei 2020)

Oproep extra steun voor Sociaal ondernemers

De coronacrisis heeft ook heftige gevolgen voor sociale ondernemingen. Het kabinet heeft snel een breed steunpakket voor het bedrijfsleven gelanceerd, dat zeer welkom is.

Door ons werk in het veld horen wij echter ook geluiden van jullie over waar deze maatregelen  ontoereikend zijn.

Social Enterprise NL heeft daarom , tesamen met 10 andere organisaties , een oproep gedaan aan het ministerie van Economische Zaken en Klimaat  tot het nemen van extra maatregelen.
Wij sluiten ons daar graag bij aan en deel het in jouw netwerk!

In de oproep pleiten wij voor:

  • > Verbreed de TOGS voor bedrijven die in meerdere sectoren actief zijn;
  • > NOW: Hou rekening met jonge snel groeiende bedrijven en tel LKS en donaties niet mee als omzet;
  • > Creëer duidelijkheid vanuit gemeenten over doorlopen financiering;
  • > #buysocialjuistnu;
  • > Zet een noodfonds op voor sociale ondernemingen;
  • > Werk nu al aan de post corona agenda en geef koplopers een plek in economisch beleid

Lees de hele oproep hier.

Rest ons jullie sterkte te wensen en zijn wij verheugd over de creatieve initiatieven die door jullie in het veld worden ontplooid. Uiteraard zitten wij ook niet stil, denk aan de online ontwikkeling van een concreet actieplan in deze tijden, samen met andere sociaal ondernemers. En natuurlijk een luisterend oor en concrete acties voor jullie (kwetsbare) doelgroepen.

Live Online Learning programma voor Impact ondernemers – Na de zomer nieuwe start data!

Het Live Online Learning (LOL) programma is voor startende en gevorderde impact ondernemers en heeft inmiddels een aantal keren gedraaid. Elke keer weer anders en net zo boeiend en inspirerend, vinden wij en kennelijk ook onze deelnemers 🙂

Inmiddels sloten we vlak voor de zomer af met diverse pitches en een gezellige borrel. Live dit keer en het was mooi om te zien hoe ze de ervaringen met elkaar uitwisselden, elkaar blijven volgen en ondersteunen met tips en tricks.

Wil jij er de volgende keer bij zijn en samen met mede Impact ondernemers jouw denkkracht en netwerk vergroten?
De training  bestaat uit acht praktische online sessies, waarin de vraagstukken van ondernemers centraal staan, zoals: hoe kan ik mij aanpassen aan de nieuwe situatie? Waar investeer ik nu in en wat is bruikbaar voor de langere termijn? Hoe kan ik mijn impact meten? Zie het volledige trainingsprogramma onderaan deze pagina.

Wanneer starten we met een nieuwe groep?

In september/oktober  starten we met een nieuwe groep van dit trainingsprogramma, bestaande uit 8 live online sessies op de dinsdag of  donderdagmiddag van 15:00-17:00 uur.

“De LOL-sessies brachten meer focus, je wordt gedwongen in de sessies om plannen en ideeën op papier te zetten en na te denken over de invloeden van anderen. Daarnaast vond ik de herkenning bij anderen en de feedback van andere ondernemers en de experts heel waardevol. En de modellen die gebruikt werden, waren heel interessant.“

Beschrijving onderdelen trainingsprogramma, bestaande uit een zelfstudie/voorbereidingsopdracht + de live online trainingssessie:

1. Kennismaken en de essentie van jouw bedrijf

2. Inzicht in jouw doelstellingen en vraagstukken

3. Verkenning op jouw vraagstuk

  • Analyse van meest urgente, concreet vraagstuk
  • Praktische oplossingen aanreiken voor het vraagstuk, meedenkkracht aan de hand van Action Learning Set
  • Herformulering: op welke thema’s verdieping? Uitwerken in actieplan impact onderneming (korte en lange termijn) en eerste matching buddies

4. Inzicht in jouw ecosysteem en stakeholdersanalyse

5. Inzicht in de behoefte van jouw klant(en) en waardeproposities

6. Impact aantonen en communiceren (impact meting)

7. Financieringsvormen voor impact ondernemers

8. Authentiek pitchen met impact: feestelijke afsluiting (op fysieke plek)

Heel volledige cursus met goed voorbereide opdrachten en prettige begeleiding. Dit zorgt er onder andere voor dat deelnemers echt op elkaar betrokken zijn en je heel veel van elkaar kunt leren.

“De cursus bracht mij ‘Back to Basic’: opnieuw de focus scherp stellen, wat ben ik aan het doen en hoe, soms raak je dat kwijt in de drukte van alledag. De feedback van de experts én van de andere deelnemers was GOUD.”

Wil jij dat ook, samen met andere sociaal ondernemers, die zich richten op dezelfde maatschappelijke uitdagingen en elkaar ondersteunen, vragen stellen en oplossingen vinden?

Neem dan contact op en kijk of je bij de komende groep  kunt aansluiten.

Ook voor gemeenten die zorg dragen voor hun kwetsbare bewoners en daarom die maatschappelijke initiatieven willen ondersteunen en versterken in deze tijd.
Volg Haarlem en Amsterdam waar diverse groepen al zijn afgerond en nu nieuwe starten! Gun de Impact ondernemers in jouw gemeente ook zo’n kans. Voor meer informatie, neem contact op

Het klinkt cliche; Samen staan we sterk!

Het LOL-programma is ontwikkeld binnen het Actieprogramma Impact Ondernemen Haarlem en is een samenwerking tussen Social Enterprise Lab (se.lab) en de Stichting Stadsgarage in Kennemerland.

 

 

 

Is het Impactpad het enige pad? Impact maak je samen!

In de Social Enterprise Monitor en ook later in de Tweede Kamer wordt geadviseerd door te ontwikkelen in het Impactpad als antwoord voor herkenning en erkenning van Sociaal Ondernemingen, en HET instrument dat leidt tot impact gericht werken.

“verzoekt de regering verzoekt het kabinet te investeren in de doorontwikkeling van het Impactpad. (Oordeel Kamer)

En begrijp me goed , ben zelf ook blij met dit ImpactPad als naslagwerk,wegwijzer en  als instrument voor organisaties om bewust te worden van het belang van impact evaluatie en impact gericht werken.
Tevens zie ik ook diverse andere instrumenten die daartoe kunnen ondersteunen, zij het vrij verkrijgbaar en te raadplegen als ook soms maatwerk voor een bepaalde organisatie, wat dan weer als standaard kan worden gebruikt voor een bepaalde sector. Dat zijn waardevolle ontwikkelingen.

Denk aan de Impact Wizard, de BKN Toolkit, de wegwijzer SDG en binnenkort het E-book,  als gids voor de sociale investeerder, om ook impact gericht te werken. Om maar wat te noemen 🙂

Wat zou het mooi zijn als we de krachten bundelen, kennis vrijelijk en breed delen en zo de sector nog impact voller kunnen laten werken.

Dus niet een enkel instrument;  echter meerdere ervaringen, onderzoeken en inzichten delen en deze ook te raadplegen.
Impact maak je immers samen!